![]() |
|
|
Zoeken op deze site
|
|
|
|||||||||||
Catsop is van oudsher een gehucht van
Elsloo. Alles wijst erop dat Catsop ook vanuit Elsloo
is
gesticht. Het gehucht vertoont de typische kenmerken van een middeleeuwse ontginnings-nederzetting namelijk een grote laathof ( de hof van Catsop)
met boerderijen langs oude doorgaande wegen. De diverse
namen van de velden rond Catsop duiden op de ontginning van woeste
gronden. Deze namen hebben vaak betrekking op bossen en op de bossen
opvolgende weidegebieden. De vroegst bekende vermelding van Catsop dateert
uit 1367. Catsop is echter ouder, althans de naam Catsop. Net als bij Terhagen denken we namelijk dat de naam Catsop ouder is dan het gehucht
zelf. Catsop is o.i. afkomstig van een samentrekking van de middeleeuwse
woorden “cateile” en “tsop of cop”. Cateile betekend vee (dit
woord bestaat nog in het Engels voor vee namelijk catle). Het tsop of scop
betekend: hoogte, top van een berg of heuvel e.d. De naam Catsop kan dus
van “veehoogte” komen. Een ten opzichte van Elsloo hoger gelegen
weidegebied.
De
herleiding van “veehoogte” menen
we als volgt te kunnen verklaren. Voor het jaar 1000 was de veeteelt veel
belangrijker dan de akkerbouw. Ook toen de akkerbouw steeds meer in belang
toenam bleef de veeteelt van groot belang. Men had de mest namelijk nodig
t.b.v. de bemesting van de akkers. Daarom ontkwam men er niet aan om grote
gebieden als weide-gebied te reserveren.
Dit waren in eerste instantie de beemden en de reeds ontboste
gebieden die gebruikt werden als veeweide. Dit aanvankelijk onbewoond
weidegebied kan al Catsop hebben geheten voordat er ook maar een huis
stond. We gaan er vanuit dat Catsop in oorsprong een weidegebied
van het oude Elsloo was, te bereiken via de Kaakstraat en vervolgens de
Catsopperstraat .
Men
kon dus pas verder gaan met de ontginningen als men vervangende
weidegebieden en aanvullende voor de nieuwe akkers kreeg. Dit probleem
werd waarschijnlijk opgelost door het ontstaan van de Graetheide. Dit was
namelijk tot in de 13e eeuw het Graetbos. Toen dit bos gekapt
was, ontstond er een groot nieuw weidegebied en kon men de ontginningen
afronden. Ook zullen in die tijd de veedriften naar de heide toe ontstaan
zijn. Zoals we eerder zagen, de Elserveeweg en de Catsopperveestraat. Hoe
en wanneer de ontginningen precies zijn uitgevoerd, zal echter wel nooit
meer te achterhalen zijn. Men spreekt hier over een proces van eeuwen.
Tevens zijn er niet steeds nieuwe gebieden ontgonnen. Wel zijn nog heel
wat gegevens over dit proces te achterhalen o.a. door het bestuderen van
de samenhang in de kadastrale lijnen op de oudste kaarten. Later zullen we
hierop terugkomen.
De
hof van Catsop
De
oudste nederzettingen, zoals Elsloo, ontstonden op de meest gunstige
plaatsen nl. de rivier en beekdalen. Hier was stromend water, liepen de
wegen, lagen de hooilanden, de weiden, de akkers en de bossen kort bij
elkaar. Rond het jaar 1000
kwamen de minder gunstig gelegen maar nog redelijk vruchtbare terreinen
aan bod. Die werden dan op grote schaal ontgonnen langs de wegen werden de
boerderijen gesticht. We kunnen aannemen dat deze ontwik-keling ook aan
het ontstaan van Catsop maar ook aan de andere gehuchten van Elsloo ( de
een wat vroeger, de ander later) ten grondslag heeft gelegen.
De
ontginningen rond Catsop werden dus niet ten behoeve van boerderijen in
Elsloo uitgevoerd, de akkers lagen hiervoor ook te ver weg. De laat of
wenhof van Catsop was het centrum van de ontginningen. Hij werd mogelijk
oorspronkelijk gesticht als een kalverhof, een veeboerderij
later wordt het een akkerbouwbedrijf. We vermoeden dat ongeveer het
hele Mergelakker tot het grondgebied van de hof heeft behoord. De laathof
was leenplichtig aan de Heer van Elsloo en een zelfstandige
administratieve eenheid. De vertegenwoordiger van de Heer op zo’n hof
was een halfer. Dat wil zeggen hij betaalde de helft van de opbrengst als
pacht. De werknemers werden laten genoemd. Vandaar de naam laathof.
De laten dienden op het land van de hof te werken in ruil kregen ze een
stuk land van de hof toegewezen waarop ze hun boerderijtje mochten bouwen
met een stuk grond om zelf te bewerken. Eigenlijk betaalden ze hun pacht
in de vorm van verplichte arbeid. Daarbij waren ze verbonden aan het land,
dat betekende dat men niet uit vrije wil kon vertrekken men was horig (men
behoorde toe) aan de grond.
Eigenlijk waren het gewoon slaven. Maar dat woord gebruikt men niet graag.
Dat betekend namelijk dat de edelen slavenhouders zijn geweest en hun
afstammelingen willen dat liever niet weten. Dat zou ook betekenen dat
wijzelf voor het merendeel afstammen van slaven. Daarbij heeft de kerk in
dit stelsel een grote rol gespeeld. Ook zij heeft in de middeleeuwen
enorme gebieden geexploiteerd.
Later vervallen de verplichtingen aan de hof en verpacht men het land aan
de vrije landbewerkers (de voorlopers van onze boeren). Deze betalen dan
eigenlijk nog een afkoopsom voor hun verplichtingen, de cijns. De
registers waarin deze cijns werd bijgehouden en waarin bijkomstig de
percelen en de cijnsplichtigen uiterst nauwkeurig worden beschreven met
betrekking tot ligging en omvang, vormen de basis van deze artikelen.
Later wordt er steeds meer land aan de boeren verkocht en worden het
zelfstandige boerderijen.
Het
oudste Catsop.
Men
kan zich afvragen wat nu de oudste bebouwing van Catsop is. Als men naar
de oude kaarten kijkt, valt het op dat Catsop uit drie delen bestaat.
De Dries, de Daalstraat en het Einde. Het lijkt erop dat het oudste
deel de huizen bij de Dreeschpool zijn. Die liggen het dichts bij de hof
en kennen een zeer versplinterde, dus oude, perceelsindeling. Gezien de
perceelsindeling en regelmatige bebouwing lijkt de Daalstraat van latere
datum en het jongste deel is
de bebouwing aan het Einde. Dit
lijkt allemaal zo, of het werkelijk zo is geweest is de vraag.
Zo
kan de vermelding van “den
Gebranden hof” aan de Gellik duiden op een noordelijker voorganger van
de huidige hof of zelfs op een tweede hof.
Indien dit inderdaad zo is geweest, dan is Catsop misschien
(verschillend in tijd) ontstaan wel uit twee aparte groeikernen nl. de
Daalstraat en de Dries. Men moet er ook niet vanuit gaan dat de hof altijd
op de plaats van de huidige heeft gestaan. We weten
namelijk dat in de huidige tuin en in het weiland van de huidige hof vanaf
de kapel tot aan de Dries meerdere woningen hebben gelegen. De hof zelf
heeft waarschijnlijk eerst korter bij de Dries gelegen dan nu. Men kan dus
met de ontwikkeling van Catsop alle kanten op.
De
mensen van Catsop zullen in oorsprong uit Elsloo, maar misschien ook van
elders, als laten aan de hof zijn verbonden. Doordat de bebouwing van
Catsop toch op enige afstand van Elsloo ligt, ontwikkelde zich toch een
zelfstandige groep binnen de bevolking van Elsloo, de Catsoppenaeren.
Kende Elsloo een bevolking die meer “trok” op dorpen aan de overkant
van de Maas en Stein. Die van
Catsop “trok” toch meer naar Beek,
Geverik en Geulle. Dit had niet alleen te maken met de ligging maar ook
naar verhouding grote aantal
boerderijen in Catsop. De boerenbevolking huwde meer in eigen kring en die
vond meer aansluiting in vermelde dorpen dan in Elsloo. (Natuurlijk is er
ook altijd vermenging tussen Catsop en Elsloo geweest.) Er bestond en
bestaat onder de Catsoppenaeren een
gevoel van een eigen idenditeit en onafhankelijkheid.
Dit uitte zich tot in recente tijden in het streven naar de mooiste
wagen/groep in de optocht tot vechtpartijen op het schoolplein. De
spoorlijn fun-geerde hierin als grens. We hebben zelfs van iemand
opgetekend dat er vroeger (voor de tweede wereldoorlog) zelfs
verschil in het dialect tussen Catsop en Elsloo te horen was. In wezen is
de achtergrond van het verschil tussen beide het feit dat Elsloo de
sociale en economische achtergrond van een Maasdorp en Catsop van een
Zuid-Limburgs plateaudorp c.q. gehucht heeft. Al eerder gaven we aan dat
het gebied van Elsloo ligt op de grens van het Graetheideplateau en het
plateau van Schimmert. Elsloo ligt op het een, Catsop op het ander.
|