![]() |
|
|
Zoeken op deze site
|
|
|
|||||||||
De
Whagge Bosch
Het Hoge Bos, de Whagge Bosch, is de naam voor het gedeelte van de
Aelserbosch (en niet Bunderbos !) dat ligt ten oosten van de
spoorlijn. De naam dankt het bos aan zijn hogere ligging t.o.v.
het bos in het Maasdal en aangrenzende hellingen. In de archieven
heet het bos: Hoge Materberg Bos. Het Mater in naam is in de loop
der tijd uit de naam verdwenen.
Het Hoge Bos heeft niet altijd dezelfde omvang gehad. In de
middeleeuwen heeft het ongetwijfeld deel uitgemaakt van grotere
boscomplexen die via de hellingen rond Catsop zelfs aansloten op
het Graetbos (de latere Graetheide) en die eigenlijk restanten van
het oerbos waren. Overigens moet men niet alleen denken aan de
bebossing op de hogere gebieden maar ook die in het Maasdal. Nog
in de 16e eeuw zijn er aansluitende delen van het
Maasdal bebost. In de 17e is het bos echter op zijn
kleinst en beperkt het Hoge Bos
zich tot brede een strook langs de zuidzijde van de
Materbergbeek. In de 18e eeuw is het bos weer groter
geworden er zijn dan weer gedeelten van de hellingen van de
Materberg in Geulle bebost
en het bos strekt zich uit tot aan (de huidige begrenzingen)
de Hoogte en het Armsterveld. De functie van de bossen in
Elsloo waren leverancier van gebruikshout o.a. voor brandstof en
huizenbouw en als jachtgebied voor de kasteelheren.
De
Matres.
Het
bos en zijn omgeving moet al, gezien de diverse vondsten, lang
geleden in gebruik zijn genomen. Vanaf de verre oudheid, lang
voordat er grenzen tussen Geulle en Elsloo waren, tot in de 17e
eeuw is er hier bewoning geweest. Ook de naam is heel oud,
misschien wel de oudste naam die we in ons gebied zijn tegenkomen.
Mater komt van Matres, de Keltische of Germaanse moedergodinnen.
Hiervan zijn overal in het Rijnland en verder in westelijke
richting tot in Engeland toe wijstenen van aangetroffen. De Matres
zijn vrouwen die in het algemeen Moeders of Matres (van Matrona)
worden genoemd. Ze dragen de hoorn des overvloeds en hebben een
fruitmand of bloemen. Soms hebben ze een kind op schoot. Ze werden
vereerd om hun rol als beschermsters van gezin en vruchtbaarheid,
als geboortehulp, of naar hun functies als schenksters van
overvloed en van het leven. De verering gaat terug op de oeroude
verering van moederaarde. Ook de Romeinen kenden ze als de
schikgodinnen. Zelfs de verering van Maria zou teruggaan op de
verering van de Matres. Zij staan ook in verband met water en de
verering heeft een relatie met bronnen. Voor onze voorouders
vormden waterop-pervlaktes en bronnen de toegangen tot het
hiernamaals. Ook is water de bron van het leven.
Ook
in het Hoge Bos bevinden zich twee sterke bronnen. Zo is er de
bron van de Materbergbeek, welke midden door het bos naar de
duiker stroomt, en de bron van de Roeschert de sterke beek die
parallel aan het spoor naar de duiker loopt (op deze beken komen
we nog terug). Gezien het voorafgaande is het niet verwonderlijk
dat dokter Beckers in de twintiger jaren van de vorige eeuw,
precies tussen deze twee bronnen in, een inheemse begraafplaats
heeft aangetroffen. Mogelijk dat er zich in deze omgeving ook een
cultusplaats heeft bevonden. Het niet bekend waar de hier begraven
mensen toen hebben woonden. Ook niet of dit Kelten of Germanen
waren. De enige, tot nu toe, bekende
woonplaats van inheemse mensen in de Romeinse tijd lag op de
Scharberg. We denken zelf dat zij korter bij gewoond hebben.
Tussen Hussenberg en Snijdersberg op de Pendersjansknub is
tenslotte een Romeinse villa opgegraven.
Het
Gommesdal.
In
de 17e eeuw was het huidige Hoge Bos dus kleiner. Een
van de toen niet beboste delen was het Gommesdaal. Een naam waar
we overigens geen afdoende verklaring kunnen geven. Wel duidt het
daal in de naam op een diepere ligging en dat was ook het geval.
Het Gommesdaal was het gebied wat ligt tussen de steile rand met
het Armsterveld (oftewel Boven de Schuthaag of Aan de Whagge
Bosch) en het bospad dat loopt naar de Hoogte. Het Gommesdaal
eindigde daar waar de (beboste) rand van de Hoogte begint. Wanneer
het gebied weer bebost is geraakt is ons niet bekend.
De
Steenberg.
In
het Hoge bos steekt de Hoogte als een punt uit . Men kan het in
het bos herkennen als een steile helling. Het gebied is bebost en
het Hoogtevoetpad loopt erlangs. Vanaf dit voetpad kan men ook
uitgravingen in de bodem zien. Deze afrgravingen zijn het gevolg
van kiezeldelving ter plaatse. Vandaar ook de naam Steenberg.
De
Wijngaardsberg.
Halverwege
het voerpad welk vanaf de duiker naar de Hoogte loopt ligt rechts
een andere van het plateau uitschietende berg. Deze bestaat uit
zand, een restant uit de oerzee. Deze “berg” komen we in de
archieven tegen als de Wijngaardsberg of de Wingerd. Een
verwijzing dat hier druiventeelt heeft plaatsgevonden.
De
Biessenkuil. Waar de Wijngaardsberg samenkomt met de hellingen van de Materberg ontspringt in een diepe trog de Materbergbeek. Dit is de Biessenkuil , in de volksmond de Strontkuil. De naam verwijst naar het kweken van biessen in dit moerassige gebied waaruit o.a. manden gevlochten werden. In de vorige eeuw woonde op het veldje de mandenmaker Janssen die in de biessenkuil zijn biessen kweekte. Begin jaren 70 van de vorige eeuw heeft er bij de bron van de beek een vrij grote aarverschuiving plaatsgevonden. Een gedeelte van de hoge helling langs de beek is toen als een gevolg van een drijfzandverzakking met bomen en al de “trog” ingeschoven.
|