![]() |
|
|
Zoeken op deze site
|
|
|
|||||||||||
De
Laathof Materberch.
Een
van de bronnen van inkomsten van de Heer van Elsloo waren de
opbrengsten van de Laathof Materberg. Een laathof was niet alleen
een gebouw maar kon bestaan uit een viertal onderdelen. Een centraal
gebouw als centrum, een hoeveelheid land wat rechtstreeks door de
heer of een pachter werd gebruikt, een aantal percelen welke door de
laten werden bewerkt of waar hun huizen op stonden en waar zij
cijnzen over betaalden en als vierde onderdeel een soort rechtbank
samengesteld uit laten en onder voorzitterschap van de heer of zijn
plaatsvervanger (de meijer) die zaken behandelde die betrekking
hadden op de laatgoederen (overdrachten etc.). In het leenroerig
(feodaal) stelsel was het laathof de laagste vorm van leen. Lang
niet altijd waren deze vier elementen aanwezig er konden ook in de
loop der tijd elementen afvallen. Nog in 1622 komt de laathof d.w.z.
de meijer en de laten bij elkaar. Dan is de zetel van de laathof,
waarschijnlijk een hoeve, al lang verdwenen en alleen de
administratie van de percelen bestond nog als restant van de
laathof. In de 16e en 17e eeuw viel de helft
van de opbrengst van de laathof toe aan de eigenaar, de kasteelheer,
en was de andere helft verpacht aan de leenheer van de laathof van Catsop.
Onder
de bezittingen van de Laathof worden percelen opgesomd die we maar
met moeite kunnen plaatsen. Niet alleen uit de periode dat heel
Geulle onder Elsloo ressorteerde (1560-1593) dateren de vermeldingen
van cijnzen in Geulle maar ook al voor deze tijd en erna heeft de
Heer van Elsloo rechten op cijnzen uit Geulle. Met name gelegen in
Hussenberg, Broekhoven maar ook in Hulsen en Brommelen. Desondanks
dit is de grens tussen Elsloo en Geulle toch steeds de Materbergbeek
en de Hemelbeek geweest. Dit
doet ons vermoeden dat de het leen Materberg oorspronkelijk van
Geulle afkomstig is en welk uitbreidingen in Elsloo heeft verworven.
Dit alles moet men zien in het licht van de ingewikkelde leen en
eigendomsrechten in de middeleeuwen. De grenzen van Elsloo moet men
dan ook zien als de grenzen van de jurisdictie van Elsloo, het
rechtsgebied en niet van eigendom. De
eigendommen van de Heer van Elsloo
beperkten zich niet alleen tot Elsloo maar lagen ook in Geulle,
Munstergeleen en zelfs in Berg /d Maas. De
laathof bestond ook niet uit één aaneengesloten blok percelen. Ook
buiten het gebied met de naam Materberch lagen percelen o.a. in de
beemden Hussenberg, de Geversdelle, op de Hoogte, Achter de Horst.
De omvang kon ook toenemen door uitbreidingen (b.v. ontginningen)
maar ook afnemen door “uitnemingen”. Een gericht historisch
onderzoek naar de Laathof Materberg, de wegen en
de samenhang van Elsloo met Geulle, met alles wat daar toe behoorde,
zou wenselijk zijn.
De
Materberchmolen.
Op
de Materbergbeek (ook wel het Meulewaterke genoemd) lag ooit een
watermolen voor het malen van graan, de Materberchmolen. Precies de
plaats van de molen is ons niet bekend. We hebben aanwijzingen dat
deze gelegen moet hebben op de plaats waar nu de zandberg ligt voor
de grote duiker. Het was een van de drie banmolens van Elsloo. Ze
werd op 14 april 1531 door de Heer van Elsloo aangekocht. Hij heeft
dan al een molen namelijk de Scharmolen (nu in de Maas). Waarom hij
deze molen aankoopt is de vraag. Misschien voorziet hij op termijn
de ondergang van de Scharmolen door de Maas en zoekt hij een
vervanger of een uitbreiding van inkomsten. Blijkbaar ziet hij op
termijn geen heil meer in beide molens want in 1552 bouwt hij de,
nog in het kasteel aanwezige, Slakmolen. Nog enige tijd bestaan
draaien de drie molens samen in Elsloo. Maar niet lang, de
Scharmolen werd in 1579 door de Spanjaarden in brand gestoken en
viel daarna ten prooi aan de Maas. De Materberchmolen raakte in
verval en in 1665 heeft men het over een gansevijver (?)
bij de voormalige Materbergmolen. Het voetpad tussen het Hoge
Bos en de Slingersberg naar Hussenberg heet nu het Meulepaedje.
Mogelijk is dit een aanwijzing naar de woonplaats van een deel van
de klandizie van de molen, Hussenberg.
De
nederzetting Materberg.
Al
eerder maakten we melding van verdwenen gehuchten in Elsloo. Een
ervan is het gehucht Materberg. In de archieven komen we in 1612
een opsomming tegen van percelen in het huidige bosgebied
(onder en boven de grote spoorduiker) die wijzen op een dan al
verdwenen gehucht Materberg. Deze percelen verwijzen door hun
omschrijving en hun soort belasting, kapoenen, naar een intensieve
bewoning van het gebied, waar nu geen spoor meer van over is. We
vermoeden dat we ze moeten zoeken in het gebied waar nu de zand en
kiezelberg liggen en vervolgens langs het Meulepaedje (voornamelijk
aan de zuidzijde) .
Niet
alleen de watermolen hebben hier gelegen maar ook nog andere
gebouwen. Bij de watermolen lag den hof van Materberch (in
1514 nog als zodanig vermeld).
Er is b.v. in 1612 sprake van hoven, tuinen, die een naam dragen
welke verwijzen naar voormalige bebouwing op deze percelen zoals: de
Laathoof (de hof van Materberch), de Spickerhoof (een spicker of
spijker is een graanopslag), de Panhuyshoof (panhuys is brouwerij)
welke lag bij de watermolen, een hoefken waar en huis op had gestaan
er is sprake van een voormalig huis dat ligt op Hoogmaterberch (er
was dus onderscheidt in een hoger en lager gedeelte) en nog andere
percelen. In Hussenberg gaat men verder met de opsomming. Van belang
is dat al deze percelen belast zijn met de cijns van een of meer
capoenen, huisbelasting dus. Op zijn minst
merkwaardig is dat er steeds sprake is van een hoof
(huisplaats) met maar enkele vermeldingen van huizen (ook in
Hussenberg). Ook al was het huis verdwenen de oorspronkelijke
belasting, hier dus de huisbelasting, bleef toch bestaan ongeacht
het gebruik van het perceel. Ook de overlevering verhaalt van
muurresten die zouden hebben gestaan aan de zuidzijde van het
Meulepaedje in de hoek waar dit aansluit op de weg langs het spoor
naar de duiker in Geulle Slingersberg).
Ontstaan
van Materberch.
Laathoven
kunnen al dateren uit de vroege middeleeuwen. Het waren door de
eigenaars van de gebieden gestichte hoeven die in grootte konden
variëren. Ze waren vaak zelfvoorzienend en konden zelfs uitgroeien
tot kastelen. Ook kon een watermolen en brouwerij en zelfs een kerk
tot een laathoeve behoren. Vanuit een laathof werden ook
ontginningen ter hand genomen om het grondbezit uit te breiden en
ontstonden uit de woningen van de laten gehuchten en dorpen. Hoe de
Heren van Elsloo in het bezit van de Laathof Materberg zijn gekomen
is niet bekend. Uit het feit dat de watermolen wordt gekocht, blijkt
dat deze in ieder geval niet door hun gesticht is.
Gezien de onderdelen van de laathof in het aangrenzende gebied van
Geulle (met name Hussenberg en Broekhoven) lijkt het er sterk op dat
het hele gebied Materberch ooit een onderdeel van Geulle is geweest
en ook van hieruit is gesticht maar later door koop of anders aan
Elsloo is gekomen. De geschiedenis van Geulle verhaald dat de grote
sacramentsprocessie ooit via de berg van Terhagen langs de Horst
over de Eykskens-weg heeft getrokken. Dit wijst erop dat dit gebied
ooit tot de parochie Geulle heeft behoord. De juiste route is ons
overigens niet bekend. Mogelijk trokken zij vanaf de duiker de
helling op naar de Schuthagerweg, dan via de Lindebergstraat naar de
Eykskensweg en dan naar Hussenberg. Het gebied van het Hoge Bos en
de Hoogte werd zo omtrokken. Wij sluiten niet uit dat dit gebied
inderdaad ooit tot Geulle heeft behoord. Ook denken dat de bedoelde
“berg van Terhagen” gezocht moet worden in de helling bij
Materberch (nu de helling bij de grote duiker) welke men na het
verdwijnen van de bebouwing van Materberch vanuit Geulle ging zien
als onderdeel van Terhagen. De veronderstelling in Geulle dat
Terhagen ooit bij Geulle hoorde klopt volgens ons niet voor Terhagen
maar wel voor Materberg.
Het
geheel moet een vrij grote omvang hebben gehad dit gezien de
aanwezigheid van een watermolen en een verwijzing naar een brouwerij
en graanopslag. Er moet dan ook voldoende aanvoer zijn geweest zijn
om deze te doen renderen waarvoor weer voldoende land en bewerkers
ervan ter beschikking stonden. Als de naam Materberg inderdaad terug
is te voeren op de Matres, dan moet men toch gaan denken aan een
heel hoge ouderdom. De bewoning moet dan toch ononderbroken
teruggaan tot de Romeinse tijd, bij onderbreking was de naam
namelijk verloren gegaan.
Verdwijning
van Materberch.
Misschien
moeten we in dit gebied of zelfs op de plaats van het verdwenen
gehucht ook de gezochte woonplaats waartoe de begraafplaats in het
Hoge Bos behoorde zoeken. Waarom het gehucht verlaten werd en
waarheen de bewoners vertrokken zijn weten we niet. Dit bosgedeelte
is namelijk berucht om zijn drijfzandbanken. Hier is in de 19e
eeuw zelfs het hele spoor weggevaagd. Bij de behandeling van de Hoos
hebben we al melding gemaakt dat in de 1552 het hele bos op de Horst
is gekapt en verkocht
t.b.v. de bouw van huizen en schuren door de inwoners van Geulle.
Zijn er toen verwoestingen of ziektes geweest waaraan ook Materberch
en Hussenberch niet zijn ontkomen of juist hun heeft getroffen ?
Vreemd
is dat van al het beschrevene geen spoor meer te vinden is. Wel
verteld de overlevering van middeleeuwse scherven die gevonden zijn
aan de voet van de zandberg (aan de overzijde van de beek waar nu
een bank staat). Verder is er aan de overkant van het kanaal in 2003
een vroege brikkenbakkersoven gevonden, die misschien met Materberch
in verband is te brengen . We denken dat een groot gedeelte van de
sporen onder de Zand en Kiezelberg liggen of bedekt zijn met zand
uit drijfzand- verzakkingen. Verder zal er veel bij de aanleg van
het spoor voorgoed verloren zijn gegaan. Wel zou men resten kunnen
vinden langs het Meulepaedje. Van de middeleeuwen vindt men in het
algemeen weinig sporen. Dit komt omdat de huizen uit vakwerk
bestonden en in de bodem binnen enkele tientallen jaren totaal
vergaan. Verder was een huis in de middeleeuwen geen onroerend maar
roerend goed. Een vakwerkhuis kon men relatief gemakkelijk uit
elkaar nemen en elders weer opzetten. Zo kan het zijn dat toen
bewoning van de Materberg, waarom dan ook, niet meer aantrekkelijk
was, men letterlijk met medeneming van het huis is vertrokken naar
veiliger oorden (waarschijnlijk naar de nederzettingen in de directe
omgeving, het land kon men namelijk niet meenemen en men diende er
vanwege de reistijden in de buurt van te wonen).
|