|
Deel 53:
De Maas, inleiding
|
Na de behandeling van de
wegen in Elsloo en omgeving blijft er nog een voor de ontwikkeling van
Elsloo belangrijke factor over, de Maas. Menigeen heeft zich, net als wij,
afgevraagd hoe de rivier in vroeger tijden heeft gelopen. In
Heemkundesnipper 17 uit 1994 publiceerden wij al een hypothese, waarvoor
nog steeds geen reden voor verandering is gevonden. Daarom dient dit artikel ook nu als uitgangspunt voor
het beschrijven van de grillen van de rivier.
|
 |
|
De
Maas met veer bij Elsloo voor de aanleg van het kanaal. Het
gezicht op Elsloo was blijkbaar bijzonder genoeg om er voor Maasmechelen een ansichtkaart van te maken. Men kan ook zien dat
het waterpeil in de Maas vroeger veel hoger was, ook in de zomer. Na de aanleg
van het Julianakanaal is
het
peil van de Maas gezakt. Boven het veerpont ziet men daken van
het oude Elsloo op de Berg. Het dorp lag toen op een steenworp
van de rivier.
|
Meerstromen land.
Om
de ontwikkeling van de Maas te begrijpen moet men op de eerste plaats niet
denken aan een rivier die uit een arm bestond maar uit meerdere stromen
naast elkaar. Tussen Rekem en Urmond heeft de Maas eeuwenlang een soort
Biesbosch gevormd. Er vormden zich steeds nieuwe geulen, oude geulen
werden opnieuw geactiveerd en met elkaar verbonden. De archieven spreken
ook bij herhaling van een of twee “principael Maesen” (hoofdstromen).
Dit betekend dus dat er tegelijkertijd ook andere (secundaire) geulen
bestonden. Bij laag water zal het water alleen door de hoofdstromen of
zelfs door een geul stromen. Bij hoogwater echter liep het hele stelsel
vol. Vanaf Rekem verdeelde het water zich en lagen de dorpen in het
Maasdal zoals Rekem, Uikhoven, Grimbie, Boorsem, Kotem en Meers veilig op
eilandjes . Had de Maas in die tijd (middeleeuwen) ,waarin men nog geen of
lage dijken had, uit slechts een stroom bestaan, dan waren deze dorpen
voor en na weggevaagd. Waarschijnlijk waren ze nooit gebouwd indien ze
steeds groot gevaar liepen. Alleen
doordat de kracht van het water zich kon verdelen, was het gebied voor
bewoning geschikt. Zo kon het ook voorkomen dat na een overstroming een
geul die normaliter alleen in de winter water bevatte veranderde in de
bedding in de zomer. Of er ging een combinatie van oude en nieuwe geulen
als hoofdstroom dienen. Op deze wijze veranderde de stroom binnen een
beperkt gebied herhaaldelijk van koers zonder al te grote gevolgen.
Links
een (Belgisch) overzicht
van het gebied tussen Rekem en Grevenbicht
waar de rivier relatief recent actief is geweest met in zwart
de restanten van Maasarmen. Men kan de vele vertakkingen goed zien en
ook dat de middeleeuwse “Biesbosch”
niet bij de Maasband ophield maar doorliep tot bij Grevenbicht. Met de
geplande te graven nieuwe stroomgeulen in het kader van de grensmaas
draait men eigenlijk de klok terug. De veiligheid komt dan niet uit
zware dijken maar uit het verdelen van de kracht van de stroom over
een groter gebied met meerdere stroomgeulen.
|
 |
|
Uiteindelijk heeft men
vanaf de 16e eeuw tot in de 19e eeuw
(rechts) de Maas stelselmatig tussen dijken geperst waar ze het
overigens niet altijd mee eens is. Op de foto een uitbraakpoging
gezien vanaf de Europabrug
|
|