![]() |
|
|
Zoeken op deze site
|
|
|
||||
|
Deel 6: de kampen en weidegronden in de middeleeuwen
De
middeleeuwse dorpseconomie rustte op twee pijlers:
de landbouw en de veeteelt. (Voor Elsloo kwam hier nog een derde
bij de scheepvaart, handel en visvangst op de Maas). I.v.m.
de mestproductie waren de landbouw en veeteelt onlosmakelijk met elkaar
verbonden. Het vee stond in dienst van de landbouw als mestleverancier.
Dit gold zowel voor schapen als voor koeien. Koeien waren belangrijke
vlees en melkleveranciers. Dit legde ook beperkingen op aan de
ontginningen. De opbrengst van de gronden bleef gebonden aan de grenzen
die gesteld waren door de beschikbare hoeveelheid mest. Er diende een
evenwicht te bestaan tussen de oppervlaktes aan cultuurgrond en woeste
grond. Men kon niet ontginnen zonder een evenredige
verhoging van de
mestproductie. Grote natuurlijke weiden bleven nodig voor het weiden van
vee.
Door
de matige grasopbrengst had men per stuks vee een groot weidegebied nodig.
Aan de rand van een natuurlijk weidegebied, binnen loopafstand, legde men
soms extra bemeste weiden aan. Hier graasden de melkkoeien en kalveren.
(Volgens ons komt hier het veel in veldnamen voorkomende “ groen(en)”
vandaan. Dit zien we als een synoniem voor vetweiden). De runderen en
schapen werden in kuddes door een herder (scheper) naar de natuurlijke
weidegebieden gedreven. S’avonds gingen deze, i.v.m. de mestverzameling,
ofwel op stal of gezamenlijk in een omheining aan de rand van het dorp (of
in het dorp zelf). Hier kon men het vee ook bewaken.
|