|
Bij
het speuren na oude wegen in een gebied met hellingen moet men met een
ander gegeven rekening houden. Voor het jaar 1000 kende men de haam niet
en men gebruikte een tuig van riemen om dieren in te spannen. Dit had als
gevolg dat de dieren zichzelf bijna wurgden indien men een last een steile
helling diende op te trekken. Veel
bulkgoederen zoals granen en later kolen werden overigens nog lang in
zakken op de rug van kleine paarden vervoerd. Deze liepen dan in een lange
rij achter elkaar. Dit waren de kinkepaarden.
Een
helling beklimmen diende dus geleidelijk aan te gebeuren. Paarden waren overigens lang te kostbaar om te gebruiken als trekdier. Hiervoor
werden de goedkopere koeien en ossen gebruikt. Ook na de invoering van de
haam werden steile hellingen vermeden. Bevinden zich nu in een weg die een
helling opgaat steile gedeelten, dan is dat waarschijnlijk geen oude weg.
Vaak bevinden zich in de buurt van een steile weg voetpaden die de helling
wel geleidelijk volgen. Meestal zijn dat de restanten van de oudste route
tegen de helling.
In
onze omgeving is de Slingerberg in Geulle hiervan een mooi voorbeeld. De
huidige weg uit de 30-er jaren is de jongste weg tegen de helling. Hieraan
vooraf gaat het steile voetpad dat recht naar de duiker onder het spoor
leidt (de Laakberg). Echter de oudste weg is het voetpad langs het Hoge Bos
in de richting van Elsloo. Het
is gevaarlijk om op het eerste oog aan te nemen dat een weg oorspronkelijk
is. Zelfs de op het eerste gezicht oeroude wegen als het Seeckendaalstraatje, de Horsterweg en
de Lindebergstraat zijn op punten allemaal perceeldoorsnijdend.
|
Tot
de oudste categorie wegen behoren de veedriften. Vanuit Elsloo en de
gehuchten vertrokken deze naar de weidegronden. Het waren veelal
holle wegen. Dit had twee redenen, de weg werd tot op de kiezellaag
onder de löss door de kleine hoeven van het vee uitgelopen.
Regenwater zorgde vervolgens op de hellingen voor de afvoer van de
grond. Dit proces werd echter ook bewust bevorderd. De steile wanden
van de holle wegen fungeerden ook als een soort omheining, wat
voorkwam dat de dieren uitwaaierden over de velden.
De
alom bekende theorie dat karren en regenwater de wegen in de
hellingen hebben uitgesleten gaat in Elsloo niet overal op. Er zijn
holle wegen die altijd doodlopend zijn geweest en er zijn zelfs
holle wegen in vlak terrein. De
meeste holle wegen in Elsloo gaan terug op veedriften.
Wij vermoeden zelfs dat er wegen bewust zijn uitgegraven om
de grond te gebruiken voor grote werken zoals dijkaanleg of anders.
Het
langst in gebruik bleven de veewegen naar de Graetheide. Dit zijn
echter niet de oudste . De Graetheide is namelijk tot in de 13e
eeuw bos geweest dus geen
weidegebied voor hoornvee (wel voor varkens). Voordat het Graetbos
weidegebied werd, moeten andere gebieden deze functie gehad hebben.
Wij zoeken deze gebieden op de hellingen rond Catsop.
Later
worden deze veedriften nadat de weiden tot
akkers omgevormd zijn veldwegen. Het is daarom niet
verwonderlijk dat juist de tegen de hellingen opklimmende wegen,
holle wegen zijn. Het waren in oorsprong veedriften naar de
weidegronden op en rond de top van de hellingen.
Bij
de nederzettingen komen
we ook altijd meerdere veewegen naar hetzelfde gebied
tegen. Dit valt te verklaren uit het feit dat als men steeds
dezelfde route heen en terug volgde, men twee keer over dezelfde
graslanden zou gaan wat het gras natuurlijk niet ten goede kwam.
Daarom kwam men via een andere route terug
(Keerwegen ?).
|


holle
weg
De
doorgaande wegen:
Later
zullen we in deze serie bij het behandelen van de benamingen nog
uitgebreid terug komen op de doorgaande wegen. Waren in eerste
instantie de doorgaande weg(en) in het Maasdal van belang voor het
onderling verkeer tussen de vroegste woonkernen, later zullen door
het ontwikkelen van elders gelegen steden en economisch belangrijke
gebieden tussen deze gebieden verbindingen ontstaan. Ook over Elsloo’s gebied ontstonden daardoor nieuwe wegen, of werden
bestaande hierin opgenomen, die
een functie kregen t.b.v. het doorgaande interlokaal verkeer. |
|