![]() |
|
|
Zoeken op deze site
|
|
|
|||
De inrichting van het dorp en de gehuchten.
De
huizen lagen, op ruime percelen, op
rij aan enkele straten. De omheiningen van de achter gelegen tuinen en
huisweiden vormden een aaneengesloten geheel. Zo vormen ze een (grillige) dichte omheining rond het dorp of gehucht. Alleen daar waar wegen
de omheining doorsneden waren hekken (valderen) aangebracht, die na het
passeren gesloten dienden te worden. De functie van de omheining,
was het binnenhouden van het loslopende vee, zoals varkens en
kippen, en het buiten houden van wild en loslopend vee en het weren van
ongewenste bezoekers. Buiten de omheining begonnen de velden.
Waar de velden grensden aan de woeste gronden, zoals de Graetheide, was er een tweede zwaardere beschermingsgordel. In Elsloo
werd deze de “landgrayff”, “Heydengrave” of “Lantweer”
genoemd. Deze diende eveneens om het buiten de landweer lopend vee en wild
van de akkers te weren. Vanuit de nederzettingen liepen door de velden de
(holle) veewegen naar de weidegronden.
Het
verschil tussen het dorp en de gehuchten.
De
term dorp slaat nu op de hele aaneengesloten bebouwing en straten. In de
middeleeuwen sloeg dat slechts op een deel
ervan. Men moet de term uitleggen als het huidige woord centrum. Zo
was Terhagen een gehucht of
buurtschap maar had ook een dorpsstraat. De oude kern Elsloo zelf bestond
ook uit enkele gehuchten of buurtschappen en alleen het gebied rond de
Maasberg noemde men “in het dorp”. In
het centrum lagen de kerk, het kasteel en woonden de notabelen. Het dorp was eigenlijk het centrum voor een reeks gehuchten binnen de
heerlijkheid. De huizen lagen op ruime percelen met ertussen de nog
onbebouwde “huysplaetsen” (bouwplaatsen). Later zullen we zien dat de
oorspronkelijke structuur sterk zal veranderen. Gehuchten verdwenen en de
dorpskern groeide verder uit langs de wegen naar de velden en veedriften.
Verder verdichtte de kern door bebouwing en opsplitsing van percelen en
huizen zich tot een compact
geheel. Hierdoor ontstond,
vanaf ca. 1600, een geheel
nieuwe situatie, die wij nog kunnen herkennen in de huidige oude dorpskern
(met het deel dat door het graven van het kanaal verloren is gegaan).
Het
ontstaan van de lokale benamingen
Als
op het einde van de middeleeuwen (rond 1400) het in cultuur brengen van
het landschap grotendeels heeft afgerond, is er in hoofdlijnen een
landschap gevormd welk zich tot in de 70-er jaren van de vorige eeuw heeft
gehandhaafd en waarvan elementen nu nog bestaan. Parallel
aan de ontwikkeling van het landschap ontstonden ook de plaatselijke
benamingen (toponiemen). De veldnamen werden afgeleid van de ligging of
vorm van het veld, een markant gegeven in het terrein of naar de
voorafgaande functie (bos, weidegebied), de eigenaar of gebruiker etc. De
namen van de wegen werden vaak genoemd naar de velden die ze doorkruisten
of bij eindigden, de naam van
een dorp of stad waar ze naar toe gingen of
naar een functie zoals bij veewegen.
|