logo box 450x250 historie dba67b

2.  Aanleg Julianakanaal: Uit het leven in Elsloo voor de aanleg van het kanaal.


Overlevering Hoebaer Fredrix

Voor de aanleg van het Julianakanaal werden er in de beemden langs de Maas in Elsloo
door kinderen nog koeien gehoed, zoals dat eeuwenlang had plaatsgevonden. In december 2008 vroegen we een van deze kinderen Hoebaer Fredrix, 90 jaar oud naar zijn ervaringen als koeherder en naar andere herinneringen.
Hoebaer was 12 jaar (dus in 1930) toen hij in dienst trad bij de buren in de Maasberg de familie Lenssen (kasteelboerderij).

Hoebaer Fredrix

In het voorjaar werd door Bours (opzichter op het kasteel, de beemden waren kasteelbezit) kavels uitgezet die door de notaris per opbod verpacht werden. De beemden waren geen afzonderlijke weilanden maar bestond uit een grote grasvlakte die eigendom van het kasteel was. De Jurgens verboden om in de beemden palen met prikkeldraad te zetten, dit omdat men hier vrij met de paarden moest kunnen galopperen.
De pachter  van die kavels kwamen uit Elsloo maar ook uit Geulle. Iedere pachter hooide zijn eigen kavel. Het voor een jaar pachten van een stuk beemd noemde men tousen. Later worden door Rijkswarterstaat ook kavels in de kanaaldijk verpacht.


Koeien in de beemden langs de Maas, een tijdloos beeld.

De koeien werden alleen in het najaar gehoed. Tussen mei en september waren de koeien in de weilanden waar ze ook gemolken werden (om 07.00 s’morgens). Na de tweede hooioogst in oktober, die noemde men  “de groomendj”,  mocht iedereen zijn koeien hoeden op de beemden (naweiden). Alleen koeien werden gehoed. Geen andere dieren. Dat deden niet alleen boeren uit Elsloo, maar ook boeren uit het aan de beemden grenzende Geulle. Na het melken (daar begon men op de stal rond 08.00 mee) en het eten van de boterhammen dreef men dan de koeien de Maasberg af naar de beemden. Er was toen geen verkeer en de koeien liepen los over de straat en wisten vanzelf de weg. Als boeren die het vee hoeden op de beemden noemde  Hoebaer o.a de families Lenssen,  Fredrix (zijnde zijn eigen familie),  Lenaerts (Dorpstraat) en Vonken (Raadhuisstraat). Er kwamen geen koeien van Catsop en Terhagen. De afstand naar de beemden telde hierin mee. De boerderij van Vonken (nu de Bourgondische Hoeve) lag het verste van de beemden af.

Op de beemden nabij het (voormalig) veer was er een poel van ca 25 bij 10 meter. Hierin groeiden witsen (wilgetakken om manden te vlechten).  De koeien moest men uit de buurt van de poel houden. Het was hier te drassig en het water was slecht. Men liet de koeien daarom aan de Maas drinken. De grens van het weidegebied was de oude Maas tussen Elsloo en Geulle. De koeien van iedereen liepen gewoon door elkaar. De veehoeders (jongens en meisjes) verdreven de tijd met wat rondwandelen of een boekje lezen. Het eten had men bij zich.  Meestal was het mooi weer en lagen de kinderen (hoeders) bij elkaar in het gras (later in de in aanleg zijnde kanaaldijk).
Ook werd er niet gehoed in de drassige zuurbeemden nabij de bosrand. In dit vochtig gebied groeide zuur gras. Hooi van dit gras werd niet door de koeien maar wel door de paarden gegeten, althans als ze niets anders kregen. Hier liet men wel runderen lopen. Zuur gras groeide ook slecht.

Het begrip runderen dient hier een nadere verklaring. Runderen is eigenlijk de verzamelnaam voor alle koeien en stieren. In het dialect noemt men echter “rênjer” alle jonge koeien (vaarssen) en stieren die voor de slacht gemest werden. Runderen, “rênjer”,  werden in het algemeen in een weide gehouden. Die  moesten vet gemest worden.




Koeherder langs de Maas op de Koogreendj in Meers

Tussen mei en september stonden de koeien in de weilanden waar ze ook gemolken werden. Als de koeien “stief” (volgegeten) waren, was het tijd om terug te gaan (bij Lenssen naar de stal. Niet iedereen had een huisweide). Men dreef dan de koeien weer los naar huis. Iedereen wist precies welke koeien van hem waren. En de koeien wisten zelf de weg van en naar huis. Men hoefde niet veel te doen dan even te jagen en de koeien zochten verder zelf de weg. Rond 16.00 uur bij terugkomst werden weer boterhammen gegeten. Om 18.00 uur was het melktijd. S ‘avonds at men aardappels met uien en melksaus.

Tijdens de aanleg van het kanaal was er onder aan de Maasberg een dam met een doorgang naar de beemden die men gebruikte. Toen het kanaal klaar was ook de afstand te groot en liet men niet meer het vee hoeden op de beemden. In de oorlog werd de afstand nog veel groter omdat de brug kapot was en men over Geulle of Stein moest. 
Een traditie van duizenden jaren was hiermee ten einde gekomen.

Rijmpjes:
Zag men kinderen uit Geulle of  aan de overkant (ook met koeien) van de Maas dan riepen die van Elsloo:
-   Kômt euver dubbeltjes en meusheudjes (witte meibloemetjes) plökke. (de essentie van het rijmpje ontgaat ons overigens ook totaal)
-   Ljelikke Belsje boterpot, steak dich enne vinger in dien vot, steak 'm neet te wied, want dan bès tem kwiet.


Rijke Walen hadden het visrecht op de Belgische oever gepacht. Daar kwamen geen inwoners uit het nabij gelegen Kotem. Vissers aan de Maas bij Elsloo moedigden de kinderen aan om tegen die  Walen “hei cochon Wallon” te roepen.  De kinderen wisten helemaal niet dat dit Waals varken betekende maar merkten wel dat de Walen woest werden als ze dat riepen.
Kotem tegen Elsloo: Hollenjer, bollenjer, spekvraeter, koekoek

Elsloo tegen Geulle:
Die van Gaol schiete op de paol, vaege ut weer aaf, zeen ze weer braaf.

Kinderen hadden overigens voor ieder treffen met kinderen uit buurdorpen rijmpjes bij de hand in Elsloo zijn verder overgeleverd:
In de Drie Kuilen riepen die van Stein tegen Elsloo:
Aelser prieje mit de metse in de sieje mit ut brwad op de nak, viva ut Aelser pak.
Een variant was: Aelser prieje, mit de metser in de zieje, mit de moel vol tenj, en de gaffel in de henj.
Opmerkelijk is dat men in dit rijmpje die van Elsloo nawijst het mes steeds paraat hebben, terwijl dit nu Stein nagewezen wordt. De schilder Frits Lemmens vertelde ons al dat “vreuger die van Stein de naam hauwe, maer veer (die van Elsloo) ut flikte”. Men noemde vechten  met een mes “de pokke zette”.

Elsloo riep tegen Stein:
Die van Stein mit de lang bein, mit de korte rökskes, sprenge wie de bökskes.

Elsloo tegen Beek:
Baek ut potje laek en es ut dan neet laek seen veer auch neet in Baek.

Elsloo tegen Geulle:
Die van Gaol schiete op de paol, vaege ut weer aaf, sin ze weer braaf.

Niet bekend zijn rijmpjes uit Beek en Geulle op Elsloo. Heeft hier iemand weet van ?



Voor het veerhuis ligt een dam met rechts de doorgang naar het veer en de beemden.



De doorgang door de dijk naar de beemden. Over de doorgang heen loopt een spoorbaan.

Gras maaien deed men s’morgens heel vroeg als het gedauwd had. Mijnwerkers die nog wat boerenbedrijf hadden, maaiden om 5.00 s’morgens nog gras voordat ze naar de mijn gingen !

Vroeger moesten de kinderen die nog op de lagere school zaten meehelpen op het veld en boerderij. Een van de taken was het turen van vee. Als groenbemesting werden akkers van tijd tot tijd met klaver (kljae) bezaaid. Hier moesten de kinderen dan met de koeien naar toe gaan. Dat was na schooltijd en op de woensdagmiddag in de zomer. De koeien werden dan twee aan twee met kettingen verbonden en ieder kind kreeg een koppel. In de klaverwei stonden ijzeren paaltjes waar het koppel koeien aan vastgemaakt werd om hun actieradius te beperken.  Voor geiten en konijnen werd door degenen die geen land hadden langs wegen etc. gras “gekroed”. In de zomer stonden de koeien 's nachts in de huiswei.

Soms werden de koeien onrustig als ze gestoken werden door de vliegen die ook op de "koeieflatten" (koeievlaaien/poep) zaten, door horzels of bij onweer.  De koeien gingen dan “bizze” dan begonnen ze met opgestoken staart te rennen. Als je ze dan aan het leiden was, moest je ze snel loslaten anders werd je meegesleurd.

Ook de hamer lag daar bij of onder een heg. Niemand stal wat in het veld. Van lange staken werd dan met een doek een hutje gemaakt tegen de zon. Daar bleef men dan de hele tijd zitten. Men nam wat "strikwerk" (breiwerk) mee en wat te eten. Turen was meisjeswerk.

Jongens moesten op het veld werken of al bij een baas werken. Jongens hadden ook langer een vrij leven dan meisjes. Althans die een eigen boerenbedrijf hadden. Die gingen wel mee naar het veld maar hoefden nog niet veel te doen. De meisjes moesten veel eerder en meer werken. S’avonds sokken stoppen etc. Spinnen deed  men aan huis (in de oorlog mocht men niet buiten, zeker meisjes mochten in het algemeen s ’avonds niet van huis).  De jongens buurten wel s’ avonds bij elkaar en gingen kaarten of kattekwaad uithalen. Op zondagmorgen gingen de jongens “schröme”. De schröm was een streep waar men de centen naar toe wierp. Degene die z'n cent op de streep gooide, kreeg alle geld.

Laat reactieformulier zien