logo box 450x250 historie dba67b

2. Over de schutterij en tradities

Geschiedenis van het schutterswezen
Op de eerste plaats is het van belang de herkomst van het huidig schutterswezen te Kennen. Een artikel  Uit ‘Achter de Paol’, 2e jaargang nummer 3, augustus 1994 R. Knops-Dullens beschrijft dit uitstekend. We namen ons de vrijheid dit onverkort over te nemen.

De geschiedenis van het schutterswezen, dat zijn oorsprong zou hebben in het Middeleeuwse verleden, blijft een heet hangijzer in de historie. Schutterijen zijn nauw verwant aan het gildenwezen, zowel wat de oprichting als de samenstelling en reglementen ervan betreft.
De schuttersgilden die, vóór de Reformatie (begin 16e eeuw) in geheel Nederland voorkwamen en zich daarna stilaan tot Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Zeeland beperkten, houden verband met het aloude gildenwezen, dat mogelijk van Germaanse origine is. De oorspronkelijke betekenis van gilde in de tijd vóór het Christendom was: offer ter herdenking van de overledenen. Dit offer ging vergezeld van een feestmaal met drinkgelag. Met de kerstening werden alle uitspattingen, afgoderij en bijgeloof geweerd. Geestelijken werden lid van de gilden. Het offer werd aan de kerk of aan de armen gebracht. Voortaan werden de gilden in kerkelijk verband omschreven als broederschappen. Het voornaamste doel van zo’n broederschap was naastenliefde door onderling hulpbetoon. Daarnaast moesten geloof en gerechtigheid beschermd worden.  

Stilaan ontstond naast de offergilde een schutsgilde, die ertoe verbond om het grondbezit van een groep, georganiseerd in een groter of kleiner familieverband, in woelige tijden te verdedigen. Deze schuttersgilde bestond lang voordat de stadsgilden ontstonden. Dit kan ook gezegd worden over zijn bewapening (piek, spies en handboog) en van het vogelschieten als vermaak. De schutsgilden, die tot het beeld van de Middeleeuwse steden waren gaan behoren, groeiden in belang sterker dan die op het platteland. Het gevolg daarvan was, dat de eerste van nu af aan hun invloed op de tweede deden gelden.  

De Middeleeuwse stad kende verschillende soorten gilden:
# In het gilde der kooplieden waren alle kooplui ondergebracht.
# De ambachten waren beperkt tot degenen die een zelfde product vervaardigden en verkochten.
# Statuten verzekerden hun het monopolie in hun speciaal beroep in de stad, maar legden tevens alle leden de verplichting op om te werken volgens bepaalde regels.
# De broederschappen van zuiver godsdienstige inslag droegen soms de naam ‘gilden’, maar werden ook wel als (con)fraterniteiten aangeduid.
# De schuttersgilden beoogden de gewapende bescherming van een groep. Hun opkomst valt samen met het ontstaan der steden in de 11e-13e eeuw. Een stad met een ‘vrijbrief’ bezat het recht om haar vrijheid te beschermen door het vormen van een gewapende macht.

Deze eerste schuttersgilden stonden in voor de bescherming van de burgerij (‘schutten’ betekent beschutten), voorts voor de verdediging van muren en grachten en voor de handhaving van orde en tucht.   De eerste schuttersgilden werden gerekruteerd uit bestaande ambachten. Het waren vrijwilligerskorpsen.
In steden, die handelsbetrekkingen onderhielden met andere steden of landstreken, ontstonden later twee schutterijen, die men de ‘Alde’ en de ‘Jonke’ schutterij noemde. De oude schutten, die omwille van hun leeftijd en ook in het belang van hun eigen bedrijf, gesteld waren op veiligheid in de stad zelf, hadden als opdracht de vestingwerken te bezetten en de stad te beveiligen tegen overvallen.
De jonge schutten begeleidden de handelskonvooien langs gevaarlijke, eenzame wegen.  

Onder invloed van de stedelijke schutsgilden kreeg het gildenwezen ook op het platteland gestalte, vooral tussen 1400 en 1600.De schutten waren landbouwers. De hoofdman der schutterij werd door de plaatselijke heer benoemd. Het was de tijd van de godsdiensttwisten, die uitmondden in godsdienstoorlogen. De schutsgilden stonden toen in voor de bescherming van de kerkbelangen en voor het bestrijden van de benden afgedankte en gedeserteerde soldaten.

Sebastiaan Vrancx. Plundering van een dorp bij Antwerpen in de 80 jarige oorlog.

In de 17e eeuw waren de dorpen vogelvrij. Plunderingen kwamen veel voor. Het was bittere noodzaak om zich te kunnen verdedigen. Tegen een leger kon men niets uitrichten (zie afbeelding) wel tegen plunderende  bendes afgedankte soldaten.

Aanvankelijke hanteerde de schut pijl en boog. Behalve de gewone boog kende men nog de voetboog, zo genoemd omdat hij met de voet gespannen werd. Verder gebruikte hij de spies en de ‘hellebaardsteekwapens’, die alleen gebruikt werden bij gevechten van man tegen man. Om zich te kunnen oefenen kregen de schutten een terrein toegewezen.  

Inherent aan de schuttersgilden was hun godsdienstige karakter. Hun bestaan hing ervan af. Dit bleek duidelijk na de Reformatie toen de schuttersgilden in de Protestantse gewesten als sneeuw voor de zon verdwenen. Elk gilde had een beschermheilige, meestal van de parochie waarin het gilde resideerde. Vaak had de schutterij een eigen altaar in de kerk. Ook had zij het recht om eigen priesters aan te duiden en te onderhouden. Deze priesters droegen op dat altaar de gildemissen op en celebreerden er zielemissen voorde overleden gildenbroeders en gildezusters. De schutten luisterden verder met veel omhaal alle kerkelijke feesten op. Zo plaatsten zij zich tijdens processies voor en achter het Allerheiligste, dat zij gewapenderhand beschermden.

Vrouwen, die als lid werden opgetekend, waren echtgenoten of verloofden van mannelijke leden. Hun lidmaatschap was nooit volledig: ze zaten weliswaar mee aan tijdens maaltijden, maar de verdedigende taak bleef aan de mannen voorbehouden.  

Natuurlijk ontbrak in het schutterswezen het feest- en spelelement niet. Als belangrijkste feesten worden vermeld het jaarlijkse vogelschieten tijdens de kermis en de viering van de naamdag van de schutspatroon. Zo’n gildefeest begon steeds met een H. Mis met gilde-eer, al dan niet gekoppeld aan een zielemis. Voor hun feestelijke bijeenkomst hadden de schutten een eigen lokaal, dat de ‘gaffe’’ werd genoemd. Dat de ‘ordehandhavers’ wel eens minder ordelijk waren bij uitbundige feestelijkheden, blijkt uit hetgeen te lezen valt in de ‘Caerte’, het huishoudelijke reglement voor elke schutterij, waarin de dekens uitgevaardigde voorschriften stonden om de orde in de schutterij te handhaven.

Belegering van Maastricht in 1579 door Parma. Voordat de stad aangepakt werd, werden eerst de dorpen in de omgeving“aangepakt  door voedsel voor mens en dier en hand en spandiensten op te eisen. Kon men dit niet afkopen, dan volgde plundering. Ook Elsloo is door zijn ligging nabij Maastricht vaak de pineut geweest. Het duurde voor stad en platteland vaak tientallen jaren eer men de schade van een belegering te boven was.

De stedelijke schutterijen waren regelmatige vertegenwoordigd op de feestelijk Landjuwelen. De schutters waren dan in kostbare paradepakken gestoken, die de bewondering van de toeschouwers opwekten. Zulke pakken werden echter nooit tijdens de dienst gedragen. Dan droeg elke schut zijn eigen pak, bestaande uit een leren broek en een nauwsluitende wambuis. Daarover droeg hij, om de borst tegen pijlen te beschermen, de maliënkolder. Bij slecht weer had hij nog een korte schoudermantel: de kap. Het hoofd werd bedekt met een leren hoed. Een apart beschermingstuk voor het hoofd was de uit stalen ringetjes vervaardigde kogel.  

De opslorping van de kleine vorstendommen in een groter statencomplex en de verschijning van een meer moderne oorlogvoering (vuurwapens, huurlingenlegers d.i. legers bestaande uit vakmensen) verdrongen de weerbare vrijwilligerskorpsen naar de achtergrond. De schutterij leek gedoemd te verdwijnen of op de folkloristische toer over te stappen. Dat alles gebeurde niet zonder slag of stoot.Want de ‘schutten’ hadden al het mogelijke gedaan om zich aan te passen aan de nieuwe wapentechnieken, d.i. aan het hanteren van vuurwapens.  

In het begin van de 16e eeuw vervingen de schuttersgilden boog en pijl door de haakbus. Dit was een zwaar geval waarbij een ijzer haak hoorde, die bij het aanleggen in de grond werd geplaatst om de bus daarop te laten steunen. Op de stadswallen verschenen tezelfdertijd twee kanonnen: ‘de slang’ en ‘de donderbus’. De ‘slang’, die een lange smalle loop had, werd bediend door huurlingen; ‘de donderbus’ had een korte, dikke en zware loop en kon ijzeren of stenen ronde kogels afschieten. Beide kanonnen bestonden uit twee los in elkaar passende delen, de loop met aan de achterzijde de kruitkamer. De kruitkamer werd ook wel apart gebruikt, wanneer vreugdeschoten gelost werden. De kamer werd dan met kruit gevuld en afgesloten met een prop papier (kamerschieten).

De nieuwe aanvalswapens riepen weldra andere aanvals- en verdedigingsstrategieën in het leven, die het einde inluidden van de schutterij als het weerbare korps. Want het Italiaanse en later het Franse verdedigingssysteem (omgrachtingen, bastions, wapendepots, ravelijnen) schiep een behoefte aan talrijke goedgetrainde, taaie verdedigers, vooral omdat de aanvallers meer en meer gebruik maakten van talrijke huursoldaten (mensen die van vechten hun beroep maakten).  

Militair raakte de schutterij op de achtergrond. Ze bleef echter in het stads- en dorpsleven een rol spelen, nu als een vereniging die bij feestelijke gelegenheden optrad. De ‘schutten’ tooiden zich dan in opvallende paradepakken, geïnspireerd op de kostumering ten tijde van de vroegere Landjuwelen. Het jaarlijkse vogelschieten werd een niet meer weg te denken element van het schuttersleven. Dit was overigens een imitatie van de schietwedstrijden op de Landjuwelen. De winnaar kreeg dan ‘de braak’ omgehangen, een kostbare, zilveren ketting, waaraan een vogel hing. Bij het jaarlijkse vogelschieten bleef ‘de braak’ behouden, maar de winnaar (koning) hing daaraan een zilveren herdenkingsplaat (koningsplaat). Deze plaat bevatte behalve de naam van de koning, ook het jaartal en soms nog een embleem dat het beroep van de koning weergaf. Naast het vogelschieten beoefenden de schutterijen met veel zwier het vaandelzwaaien.  

Aan deze folkloristische periode in de schuttersgeschiedenis kwam abrupt een einde met de Franse Revolutie. Met weet dat na ‘de Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger’, in 1791 de wet ‘Le Chapelier’ werd uitgevaardigd, waardoor alle gilden verdwenen. Voor de schutterijen werd later nog een aparte verordening gedecreteerd (7 mei 1795): ze werden alle opgeheven en beroofd van hun bezittingen.  

Koning Willem I riep op 7 april 1827 het stelsel van de dienstdoende en rustende schutterijen in het leven. Die schutterijen, die akkoord gingen met deze nieuwe vorm van burgerwacht en zich onderwierpen aan militaire voorschriften, kregen aanlokkelijke faciliteiten. Vanaf toen gingen vele schutterijen, gekleed in oude soldatenuniformen, in paradepas naar de schietstang om weer op de vogel te schieten. Daarmee lieten de uitgeplunderde schutters toe, dat in hun deftige gilde vreemde militaire elementen werden ingeplant, die tot de huidige dag het waardig karakter ontsieren van de eens zo roemrijke corporatie. Nog talrijke schutterijen werden sinds Willem I in het leven geroepen. Zij wortelen in het Ancien Régime, hebben het standenstelsel (met gildewezen) niet meegemaakt en zijn als zodanig noch militair noch folkloristisch gegrondvest. Het zijn geen gilden. Zij werken wel mee aan het behoud van een intussen waardevol geacht cultuurgoed en volksamusement.

Laat reactieformulier zien