logo box 450x250 historie dba67b

3.  Over de schutterij en tradities

Een archief van de oude schutterij bestaat niet. Wel bevinden zich verspreid in het archief van de schepenbank diverse stukken die betrekking hebben op de schutterij. Gelukkig hoeven we die niet allemaal bij elkaar te zoeken, dat heeft in 1947 de redder van de archieven van Elsloo, meister L. van Mulken, al gedaan. Deze gegevens heeft hij geordend en in een boekwerkje samen gevat. Dit boekje draagt de naam “uit Elsloos verleden” (net zoals het latere boekje van Sjang Peters). Ere wie ere toekomt, wij hebben dus de gegevens niet zelf uitgezocht. Omdat dit boekje nergens meer te krijgen is zullen wij het in zijn geheel weergeven. De in het cursief gestelde toevoegingen ter verduidelijking zijn afkomstig van ons.

Voorbericht
Deze simpele bijdrage tot de kennis van de geschiedenis van het oude Elsloo was aanvankelijk bestemd voor opname in de Contactbrief van het Katholieke Thuisfront voor onze Elsloose jongens in Indië . De beperkte plaatsruimte, die dit periodiekje biedt, deed ons besluiten het geschriftje in brochurevorm te doen verschijnen. “Onze jongens” ontvangen elke een gratis exemplaar. De groeiende belangstelling in alles wat de “Heemkunde” betreft was voor ons aanleiding het ook aan anderen beschikbaar te stellen.
De schrijver. (L. van Mulken)


In het museum van het Geschied en Oudheidkundig Genootschap te Maastricht treft men een zilveren schuttersketting met vergulde vogel en platen uit de jaren 17509-18145, benevens een hellebaardpiek (1769) aan, afkomstig van de schutterij van Elsloo. (Momenteel bevinden de platen zich in bruikleen in het Streekmuseum, de verblijf- plaats van hellebaard is ons niet bekend. Wellicht is hij nog in Maastricht).

De Elsloose schutterij dateert evenwel van veel oudere datum. In de archieven vonden wij een ordonnantie van Z.E. Conrardt van Gavre, Riddere, Heer tot Elsloe, Diepenbeeck, Peer, Geulle etc. vastgesteld de 4 April 1553 in tegenwoordigheid en met goedvinden van zijn zoon, Johan van Gavre, Heer tot Bellenys etc. In de aanhef wordt verklaard, dat bij deze het bestaande schutterreglement gerenoveert (vernieuwd) wordt. De schutterij was toen dus al een bestaand instituut. Dit blijkt trouwens ook uit de hierna te vermelden schenking van het weggeld in 1534. “Een nadere ordonnantie” werd de 14 juni 1669 vastgesteld door Z.E. Albert Joseph Graeve van Aerberg, van Vallagin en van h’t H. Roomsche Rijk etc., Vrij heere deser Baronnie, mit gevolg der Scuttery”. Deze ordonnanties stellen ons in staat ons een tamelijk volledig beeld te vormen over de organisatie, de taak en het verenigingsleven van dit oude instituut.

Om lid te worden moest men zich wenden tot de Koning en de schuttemeersters. Werd men door deze autoriteiten “daertoe bequeem” geacht dan werd de naam ingeschreven in “die Rolle ende Cedule, daer men der schutten namen inschryft”. Men betaalde een entree-geld van vier stuver brabants en legde op Sacramentsdag in de kerk van Elsloo de eed af, zwerende “den Heere te sullen getrouw ende gehoersaem” te wezen.Binnen een half jaar moest men in het bezit zijn van “boge of roer mit syne gereedschappen en toebehoorte”. Men kon uit de schutterij treden met goedvinden van Koning en schuttemeesters tegen betaling van acht stuver brabants.

in het bezit zijn van “boge of roer mit syne gereedschappen en toebehoorte

Waartoe diende nu de schutterij? Was het ook een tak van sport met ongeveer dezelfde doelstelling als de hedendaagse schuttersgezelschappen? In de alleerste plaats was het een machtsinstituut in handen van de plaatselijke Heer. Bij zijn inhuldiging zwoer deze o.a., dat hij zijn onderdanen “altzamen van alle bedruckenisse en gewalt beschudden (zou) ende bystaen naer aleerbeste macht”. Wilde hij in die woelige tijden deze plicht volbrengen, dan moest hij beschikken over een zeker machtsapparaat; en dit was nu de eerste taak van een schutterij. Kleine Heerlijkheden als Stein, Elsloo en Geulle moesten bedacht zijn op het behoud van hun zelfstandigheid, hun veiligheid en aloude rechten, want niet enkel de 20e eeuw kende haar onverzadigbare machtswellustelingen. Met de aangrenzende buurstaatjes was het ook niet altijd peis en vree; grensgeschillen namen soms ongekende hevige vormen aan. Het waren de schutten die de schending van gefundeerde of vermeende rechten, desnoods met wapengeweld moesten voorkomen.

Met de aangrenzende buurstaatjes was het ook niet altijd peis en vree

Hoe het in de 16e en 17e eeuw gesteld was met de persoonlijke veiligheid, moge blijken uit de getuigenis van Pater Reginbald Möhner, leger-aalmoezenier in de Nederlanden. Hij verklaart, dat men niet gauw een boer op zijn akker zal aantreffen, die zijn geladen geweer niet bij zich draagt. Tussen elke twee of drie dorpen vond hij een z.g. Bauernschanz, met diepe grachten, hoge wallen met palissaden, waarin de boeren bij dreigend gevaar met mens en vee een toevlucht vonden. Zoals bekend bouwde de Heer van Elsloo in 1647 een grote Schans aan de voet van de Maasberg. In October 1654 werd in Elsloo een soort alarmtoestand afgekondigd. Op straffe van tien goudgulden en een aem bier moesten de schutten hun wapens in gereedheid brengen, zich voorzien van kruit en kogels en de wachten betrekken.

In Juni 1665 moest een afdeling schutten onder Huberti het marktschip van Urmond beletten aan te leggen aan de Schille, de Elsloose los- en laadplaats onder de Scharberg. De schutten convoyeerden het schip in een ‘naek” tot Kleine Meers. Op de oever stonden de drossaard van Stein met de hofmeester van de baron van Petersheim en 2 a 300 man , waarvan velen gewapend met geweren en degens, toe te zien, hopende dat de eigenaars van het marktschip het verbod van Huberti zou negeren, en bereid haar bij te staan ingeval ze in moeilijkheden mocht geraken.

Soms was de Heer van oordeel, dat het schuttersgilde niet bij machte zou zijn om een dreigend gevaar te keren. In dat geval werden ook de niet-dienstplichtigene mannen gemobiliseerd. Op 21 mei 1571 b.v. werd verordend, dat elke nacht vijf man de ronde zouden doen door Elsloo, en dat alle mannen, ook die van Meers, om beurten hadden te verschijnen.

Tegel met afbeelding van 17e eeuwse schutterij

Op 18 juni 1649 werd vanwege graaf Nicolaas d’Arberg bepaald, dat “commende eenighe volckeren om hun eenig gewelt oft overlast te doen, tzij bij logeren, vernachten off anderssints, bij wat middel onder wat pretext (voorwendsel) tselve zouden moghen wesen”, alle mannen bij klokgelui of trommelslag opgeroepen zouden worden om te “vergaederen mit behoorlijcke waepenen ende geweer ende te gaen ter plaetse daer eenighen oploop oft geweld soude moghen geschieden ende deselve mit gewelt te keeren ende uyt te drijven”. Wie niet gewapend verscheen, zou voor de eerste maal beboet worden met vijftien goudgulden en de tweede maal gerechtelijk worden vervolgd. Alle mannen hadden bovendien hulp te verlenen, teneinde binnen acht dagen na de afkondiging de ingangen naar de heerlijkheid af te sluiten met behoorlijke slagbomen en alle “graeven ende noodeloose weghen” op te graven. Tot zover de militaire taak van de schutten.

“bij klokgelui of trommelslag”
Laat reactieformulier zien