logo box 450x250 historie dba67b

4. De schutterij van Elsloo

(vervolg van “ de Schutterij door L. van Mulken”)

Er werden hun echter ook opdrachten verstrekt, welke naar onze opvatting thuis horen bij politie en justitie. In dat geval stonden ze in dienst van schout en schepenen. Ze werden gebruikt voor het doen van arrestaties, het insluiten en bewaken van gevangenen, het ten uitvoer leggen van vonissen (ook de zwaarste), het met de sterke arm innen van boeten en belastingen enz.

Een wel vreedzame, maar toch als zeer belangrijk aangemerkte taak, was het begeleiden van de processie. De ordonnantie van 1553 plaatst deze op Zondag voor Sacramentsdag, maar de verordening van 1669 kent twee processies, een op “cleyn kermisdagh” en een op Sacramentsdag. “Goottijds voor der Missen” moesten de schutten verzamelen “om mit vendelen, trommen ende pijpen” met de processie “omme te gaen”.

mit vendelen, trommen ende pijpen

Alleen om gewichtige redenen konden de schuttemeesters van deze verplichting ontslaen. Wie zonder verlof weg bleef, verviel in “dobbele boete”, welke in de verordeningvan 1669 nader gepreciseerd wordt als “een tonne bier”. Dezelfde boete was bepaald voor de schut, die in de processie gehoorzaamheid weigerde aan de officieren. Als de processie om de Horst trok, liep haar route gedeeltelijk over Geuls grondgebied. Daar werd de begeleiding overgedragen aan de schutten van Geulle. Daarom moest de Elsloose schutterij uittreden en zich opstellen op het bunder

Recht tegenover “de cuyl genaempt de Wijnkelder, de straet tussen beyde, ende aldaer de schutten-cedule aflesen, soo als van immemoriale tijden gebruickelijk is gewest”. Onder de hoede van de Geulse schutten trok de processie door Hussenberg tot aan de grens van Elsloo. Na onthaald te zijn op bier, trokken de Geullenaren weer huiswaarts. De Geulse processie trok op haar beurt ook door Elsloos gebied, begeleid door de Elsloose schutten, wier beloning natuurlijk weer bestond in bier. Bij die processie kwamen ook de z.g. “bielmander” in actie. Op de weg van Husschenberg naar Terhagen versperde men de weg door twee balken kruiselings over elkaar aan weerszijden van de weg tegen de bomen te spijkeren (Ciseaux de bois).

Hoe en waar de schutten hun exercities hielden, is ons onbekend. Wel vonden we, dat ze op “groote kermissedach, Sondachs voor Dionisiy (9 October) goettijds te middage” moesten verzamelen. Mogelijk voor schietoefeningen of een rondgang door het dorp. Op de processiedagen, als de schutten van Geulle en Elsloo elkaar aflosten, werden onderlinge wedstrijden gehouden in het schieten van de vogel.

groote kermissedach

Het schieten van de koningsvogel was ongetwijfeld het grootste jaarlijkse evenement in het leven van de schutten. Het reglement van 1553 is sober in zijn voorschriften voor dit jaarlijks festijn. Het moest geschieden in de maand Mei of op Pinksterdinsdag, en alle schutten waren gehouden er aan deel te nemen. De nieuwe koning moest de schutten onthalen op een “aem” bier en de schutten deden hem “eene vereeringhe, met eenen daler te betalen”. Het reglement van 1699 regelt meerdere punten tot in details. Zo paste en past het nu eenmaal in een militaire organisatie.

Op de bepaalde dag verzamelden de schutten voor de woning van de kapitein. Deze gaf aan een korporaal (destijds een hogere autoriteit dan tegenwoordig) met minstens twaalf man opdracht de luitenant aan zijn kwartier af te halen, die dan met dit troepje het vaandel overbracht naar de kapitein. Het gehele korps zette zich in beweging, haalde de koning aan zijn woonhuis af en geleidde hem naar, schrik niet, het kerkhof. En op deze zonderlinge plek, waar alle menselijke grootheid eindigt, legde de koning alle tekenen zijner waardigheid af. U zult vragen, waarom nu juist op het kerkhof? Wel, in Elsloo werd de koningsvogel geplaatst op de kerktoren, zodat de schutten zich op het kerkhof moesten opstellen. Dan begon het festijn.

werd de koningsvogel geplaatst op de kerktoren.
(schilderij van de aan de huidige St Augustinuskerk voorafgaande kerk)

De Heer van Elsloo loste het eerste schot, dan de Pastoor, de aftredende koning, de kapitein, de luitenant, de vaandeldrager en vervolgens de schutten. Men mocht schieten “met wat roer hem belieft ende soo menigh mael hij wilt, ende moet den vogel op den tooren met all wat daeraan genaegelt is, selffs afschieten om Coninck te worden”. Ook niet-gezworenen mochten mee schieten tegen betaling van een ton bier. De nieuwe koning moest al direct zijn gulle inborst tonen door het schenken van een “aem” bier. Zijn hoge officieren wachtte nog een extra tractatie op “cleyn kermisse dagh”. De schutten huldigden hem door het aanbieden van “eenen hoet ter waarde van acht gulden”. De koning was voor een jaar vrijgesteld van alle herendiensten.

Wie driemaal achter elkaar koning werd, verwierf de waardigheid van keizer. De schutten offreerden hem de waarde van een zilveren vogel, een vaandel en een trom. Voor zijn leven was hij ontheven van alle “heren- ende nabuyrdiensten”. De verordening van 1553 tracht door strafbepalingen de onderlinge verstandhouding der schutten te garanderen.Wanneer “eenich van deser schutten den een der anderen misdede, die saecken sullen te decideren staen aen Coninck, schuttemeesters ende gemeyne schutten”. De op te leggen boete moest “sonder weygeren off wederseggen”, voldaan worden. Wie daartoe niet nereid was, werd als lid geroyeerd, moest het gewone conge geld (8st brab) betalen, terwijl men beslag kon leggen op zijn goederen, als hij de opgelegde boete niet voldeed.

Omtrent de sterkte van het schutterskorps beschikken we niet over gegevens. Het schijnt wel, dat er voldoende animo bestond. We vonden n.l. dat op 4 Juni 1563 waren ingeschreven, doch nog niet beëdigd, het gold dus blijkbaar nieuwelingen, 13 inwoners van Elsloo, 7 van Catsop, 2 van Terhagen en 4 van Meers. Om de eigenaardigheid van de destijds in zwang zijnde benamingen willen we die hier aanhalen.

Het waren:

van Elsloo: Jan Leppers der smeet

Jan Bours genoempt der neeff

Thys Willem Teylen soon, genoempt motz,

Loye Houwen genaamd Spangiaert

Jan Baustemeecker

Jan van Ganagelt,

Dierick Berfkens genoempt Sengerken

Joris Meyers

Corstgen van Limborch

Herman der Koelre genoempt groot Herman

Ghielken Merfkens

Peter van Puth

Jennesken Ghieskens


van Catsop: Vrancxken Ghielen genoempt der Coopman van Catsop

Dries van Catsop

Geercken Driessen soon

Jan van Cullen

Corstgen Renckens

Vrancken Soon

Jennesken Vrerix

van Terhagen: Claesken Aloff Claeskens soon van Terhagen Jan Molenaers

van Meers: Hans Monis

Marten Wijnen

Thonis Ghysen

Dierck op Doeveren

Zo’n schutterij moest natuurlijk ook over enige bronnen van inkomsten beschikken, ofschoon daarmee geen grote bedragen gemoeid geweest zullen zijn. Alle dienstverrichtingen binnen de grenzen der heerlijkheid kwamen n.l. voor rekening van de schutten zelf, die buiten de heerlijkheid ten laste van de Heer van Elsloo.

De traditionele dorst, een sterk sprekende eigenschap van de vroegere schutten, kon gelest worden uit de bij reglement vastgestelde schenkingen en de op de dag van het vogelschieten te “reguleren” boeten, welke nagenoeg allen voldaan werden in de vorm van bier. Toch vonden we nog enkele andere baten. In 1534 schonk de gebiedende Heer van Elsloo, Conrardt van Gavere, wiens grafsteen is aangebracht in de zuidmuur (volgens ons is dit de oostmuur) van de grafkapel op het kerkhof.

Grafsteen Conrardt van Gavere

Aan de schutterij het z.g. “wechgelt”. De schuttemeesters verpachten dit weggeld “op cleynen kermis dach by bernender kersen” (bij brandende kaars, als de kaars doofde gold het laatste bod) voor de tijd van drie jaar. Slechts van een weg is ons bekend, dat er weggeld geheven werd; nl. van de niet-Elsloose voertuigen, die losten of laadden aan de hiervoren reeds genoemde Schille. De pachter van het weggeld kon assistentie van de schutten vorderen, wanneer voerlui onwillig waren te betalen.

In 1553 schonk bovengenoemde Heer van Elsloo aan de schutten een jaarlijkse toelage van twaalf hornse guldens. De pachter van de brouwerij (de penner uit het panhuis) moest dit bedrag aan de schutten uitbetalen, wat natuurlijk niet in klinkende munt, maar in de vorm van bier zal zijn geschied. Er werd tenminste bij bepaald, dat dit voorschot door de brouwer “op mijns heeren bierkerff gekerfft (zou) worden”.

…..de penner uit het panhuis…..(later het woonhuis van het nieuwe kasteel)

In 1699 schonk de Heer aan de schutterij: de opbrengst van 80 roeden land in de Geversdel, van de weiden “op den Breul” (bij Scharstraat) en van 75 roeden “grous” (ruwe weide) bij Meers. Verder mochten de schutten jaarlijks twee “meyboomkes” kappen uit het bos. Een werd geplant bij de Heer, een bij de koning. Wij vermoeden, dat de naam Schuthaegerweg met dit gebruik in verband staat (wij delen die mening overigens niet, zie ook “van vreuger tot noe”)


Tot zover in dank de (grote) bijdrage van meister van Mulken aan de kennis over onze schutterij.

Laat reactieformulier zien