logo box 450x250 historie dba67b

5. De schutterij van Elsloo

In de vorige afleveringen gaven we het boekje weer welke werd geschreven door Meister van Mulken met voorafgaand een algemene beschrijving van de herkomst van het schutterswezen. Hier willen wij nog enige gegevens en eigen inzichten aan toevoegen.

Het hoe en waarom van de schutterijen
In het boekje van de meister werd al beschreven dat de schutterij een belangrijk machtsinstrument voor de Heer van Elsloo was en nodig om zijn belofte dat hij zijn onderdanen “altzamen van alle bedruckenisse ende gewalt bechudden en bijstaen (zou), naer alerbesten macht”.

Ridder, beschermer van zijn onderdanen.

Voor de oprichting en instandhouding van een dergelijk korps had hij enkele mogelijkheden. Op de eerste plaats zou hij mannen kunnen inhuren om zelf een legertje vormen. Het nadeel was dat dit erg duur was en een te groot beslag op de inkomsten uit de Heerlijkheid zou leggen, tevens was Elsloo te klein om een dergelijk legertje een verantwoorde taakinvulling te geven. Een andere optie was om mannen te verplichten aan zijn “legertje” invulling te geven. Maar ook toen wist men al dat dwang niet werkte en men hierop geen betrouwbare organisatie kon bouwen. Tevens liep men het risico dat de schutterij zich tegen de eigen Heer kon keren.

Daarom was het veel beter om een instantie op te richten die voor beide partijen gunstig zou uitwerken. Dat werd de schutterij. Bijkomstig was de schutterij een prachtige vrijetijdsbesteding. Men beoefende in groepsverband de schietsport en deed aan exercities . Maar ook (zeker niet op de laatste plaats) kreeg men ook de kans om tegen gereduceerd tarief flink te feesten. Voor de Heer van Elsloo sneed het mes aan twee kanten hij kreeg een aan hem persoonlijk verbonden korps en welk zichzelf instant hield en betaalde.

Leenmannen
Buiten de schutterij om had de Heer overigens de mogelijkheid tot het vormen van een directe lijfwacht. Dit door een beroep te doen op zijn leenmannen. Leenmannen waren welgestelde inwoners (grotere boeren) die een persoonlijke eed van trouw aan de Heer hadden gezworen en grote stukken (nieuw ontgonnen) land van de Heer pachten wat ze op hun beurt weer doorverpachten aan andere inwoners. Deze leenmannen komen we ook vaak weer tegen als leden van de schepenbank (bestuur en rechtsorgaan in de Heerlijkheid). Deze leenmannen vormden een soort economische en bestuurlijke elite binnen het dorp. Deze dienden vanwege hun eed van trouw ook onverkort de Heer bij te staan indien hij dat nodig achtte en raad te geven. Een van hun taken was o.a. als de Heer buiten de Heerlijkheid aan krijgs-tochten of anders deelnam hem gewapend en te paard bij te staan.

De middeleeuwse standenpyramide

Ze waren dus tevens een soort persoonlijke lijfwacht op afroep. In hoeverre deze leenmannen ook het officierskorps vormden van de schutterij hebben wij nog niet kunnen achterhalen. Het zou ons niet verbazen indien dit ook het geval is. Direct en indirect had de Heer aldus via zijn leenmannen de volledige controle over de Heerlijkheid.

Ouderdom van de schutterij
Over het algemeen wordt aangenomen dat het woord gilde uit het Germaans ('geldan') stamt. De Germanen, die sterke onderlinge banden onderhielden met zowel de levenden als de doden en het meest genoten van goed eten en drinken herdachten hun doden tijdens een dodenmaal, dat een duidelijk religieuze betekenis had. Het offer hierbij (meestal in natura) droeg de naam gilde. Deze naam ging over op de maaltijd zelf en later op de groep die aan de maaltijd deelnam. Waarschijnlijk namen hier alleen mannen aan deel die een zekere leeftijd bereikt hadden. Dit stamgilde kan beschouwd worden als voorloper van de latere buurt- en feestgilden

De Franken hadden de gewoonte om uit hun midden mensen aan te wijzen die waakten over de vrijheid, eigendommen en de bewoners van hun woon-gemeenschap, en om daardoor de orde en rust, vrede en vriendschap te bewaren. Oorspronkelijk was dan ook een schuttersgilde een keurkorps gerekruteerd uit de manschappen van een landheer.

In het boekje van meister van Mulken kunnen we lezen dat de Heer in 1563 de schenking van het “weghgeld “ (tol) bevestigd. Tevens wordt dan vermeld dat de deelname aan de sacramentsprocessie is “nae alder gewoonten” verplicht. Ook dient de schut zelf voor “ene boge off roor” te zorgen waar uit blijkt dat het oorspronkelijke wapen de boog was. Aangezien men spreekt van “alder gewoonten” en de eerste vuurwapens uit het midden van 14e eeuw, kunnen we gevoeglijk aannemen dat de schutterij in Elsloo, in een of andere vorm al vroeg bestond.

Godsdienstige verenigingen en broederschappen
Hoewel aanduidingen voor een groep schutters voornamelijk schutterij of schuttersgilde is, wil dat nog niet zeggen dat ze ook dezelfde achtergrond hebben. Er zijn namelijk twee mogelijkheden n.l.. opgericht door een landheer (wat overigens in die tijd ook een kerkelijke bestuurder zoals een bisschop of een abt van een abdij kon zijn) of zijn oorsprong hebben in een kerkelijke broederschap.

Broederschappen ontstonden in de Middeleeuwen en waren door de (R.K.) kerk goedgekeurde verenigingen van leken met een godsvruchtig doel; het waren vaak beoefenaars van een bepaald ambacht die een eigen schutspatroon hadden, meestal met een eigen altaar in de kerk of een eigen kapel. Sommige ambachtsgilden zijn later uit de broederschappen ontstaan. Sommige van die kerkelijke broederschappen kregen langzamerhand het karakter van een schutterij c.q. schuttersgilde.  

Wij denken dat de schutterij van Elsloo door een landheer in het leven is geroepen en niet uit een broederschap voorkomt. Nergens zijn we namelijk een vermelding tegengekomen van een naam voor de schutterij anders dan “ de Schutterije van Elsloe”. Zou namelijk de herkomst teruggaan op de tweede groep, de broeder-schappen, dan zou de patroonheilige van de parochie of broederschap zeker in de naam zijn teruggekomen. Ook het feit dat de Heer van Elsloo bij de schutterij direct en indirect altijd een hele dikke vinger in de pap heeft gehad (ze dicteren o.a. door middel van ordonnanties de reglementen) wijst op deze herkomst.

Een aspect wat we merkwaardig genoeg niet tegenkomen in beschrijvingen van het ontstaan van schutterijen, is de relatie tot verdediging van de kastelen. Elsloo heeft een grote verdedigbare burcht gehad (het kasteel in de Maas). Dit zal deze in tijden van nood niet alleen door beroepssoldaten zijn bemand maar waarschijnlijk zal er ook een beroep zijn gedaan op de weerbare mannen van het dorp zelf. Dit mede omdat de burcht tevens de toevluchtsplaats was voor de dorpsbewoners en hun vee. Men had echter niets aan de mannen als ze ook niet in het omgaan met wapens waren getraind. In dit verband kan men, volgens ons, ook het ontstaan van een lokaal verdedigingskorps niet los zien van de verdediging van het kasteel.

Een aspect wat we merkwaardig genoeg niet tegenkomen in beschrijvingen van het ontstaan van schutterijen,  is de relatie tot verdediging van de kastelen. Elsloo heeft een grote verdedigbare burcht  gehad (het kasteel in de Maas). Dit zal deze in tijden van nood niet alleen door beroepssoldaten zijn bemand maar waarschijnlijk zal er ook een beroep zijn gedaan op de weerbare mannen van het dorp zelf. Dit mede omdat de burcht tevens de toevluchtsplaats was voor de dorpsbewoners en hun vee. Men had echter niets aan de mannen als ze ook niet in het omgaan met wapens waren getraind. In dit verband kan men, volgens ons, ook het ontstaan van een lokaal verdedigingskorps niet los zien van de verdediging van het kasteel.

Laat reactieformulier zien