logo box 450x250 historie dba67b

6. De schutterij van Elsloo

Broederschappen binnen de Schutterij
De kerk zag de alleen macht van de Heer van Elsloo over de schutterij blijkbaar met lede ogen aan. Daarom werd door haar een beproefde methode toegepast om tegenwicht te bieden aan het wereldlijk gezag, namelijk kerkgezinde mensen aan zich te binden door het oprichten van een broederschap. Zo werd in 1716 een Broederschap met de naam “Broeders van den H. Roosencrans” opgericht waarvan de leden bestonden uit de leden van de “de Jonghe Schutters van Elsloo”.

Volgens de overlevering zou het vaandel van dit broederschap zich nog in de St Augustinuskerk bevinden (wie weet hier meer van ?)

Door deze constructie ontstond er een merkwaardige situatie. Namelijk die van het bestaan van een religieuze vereniging binnen een wereldlijke vereniging. Dit zal ongetwijfeld met toestemming van de Heer zijn gebeurd. Als voorvechters van de katholieke zaak en uit eigenbelang hielden ze zich de kerk graag te vriend.

De Heer had trouwens geen reden om de relatie van de kerk tot de schutterij te vrezen. De feitelijke macht over de schutterij bleef toch onverkort in zijn handen. Hij kon namelijk op basis van de eed van trouw aan hem en door ordonnanties de kerk en zelfs het schuttersreglement zonder meer buiten spel zetten . Wie het laatste woord had kwam overigens ook tot uitdrukking bij het koningschieten. De pastoor was namelijk na de Heer de tweede die op de vogel mocht schieten (dit was dus tevens een subtiele plaatsverwijzing).

De Jonghe Schutters van Elsloo, broeders van den H. Roosencrans

Hier moet men “Jonge schutterij” overigens niet lezen als een uitdrukking voor een nieuwe schutterij die een eerdere of oude opvolgt. Dit zit namelijk iets anders. Een schutterij bestaat vaak uit twee delen de oude en de jonge schutters. De jonge schutterij zijn de ongetrouwde en vrijgezellen tot 40 jaar en de oude uit de getrouwden en vrijgezellen ouder dan 40. Deze verdeling in twee groepen had te maken met de verdeling van de taken.

De “jonghe Schutten” vanwege hun leeftijd en niet door huwelijk gebonden met andere taken werden belast dan de “oude schutten” die fysiek niet zo sterk meer waren maar ook de verantwoording over een gezin droegen. Een schutter kon eenmaal in situaties terecht komen waarbij hij zijn leven in de waagschaal moest stellen. De “oude” schutters dienden meestal als verdedigers terwijl de “jonge” schutters de “zwaardere” taken dienden uit te voeren.

Of de oude schutten ook apart in een broederschap verenigd waren is ons niet bekend. Wel bestaat er uit 1745 een lijst van een broederschap St Hubertus, doch uit deze onvolledige lijst blijkt geen band met de schutterij. Er staan ook diverse namen op van vrouwen en van mensen buiten Elsloo op en die mochten eenmaal geen lid van de schutterij zijn.

Van de activiteiten van de schutterij zijn mogelijk zelfs nog tastbare bewijzen over. In de Schippersbeurs zitten kogelgaten. Op afstand kan men zien dat deze de daklijn van het pand ernaast volgen. Ze zijn dus vanaf de zuidkant van de Dorpstraat afgevuurd. In het archief van Elsloo bevind zich een stuk dat verteld dat in de tijd van de bokkenrijders in de Schippersbeurs een schepen die voor het gerecht gedaagd was waarvoor hij weigerde te verschijnen. De schutterij kreeg de opdracht om de man op te halen. Hij had zich echter verschanst en men heeft het gebouw belegerd en beschoten.
De gaten stammen zeker niet uit de tweede wereldoorlog. In de oorlog is er niet van af het "kepelke" in westelijke richting geschoten (volgens onze bron H. Rouvroye).

Taken van de Schutterij
Deelname aan de Schutterij was niet vrijblijvend. Men was eenmaal deel van een organisatie die onverkort opgedragen diende uit te voeren. En graag of niet, men diende onverkort te gehoorzamen en uitvoering aan opdrachten te geven.

Tot de taken van de schutterij behoorden:
- Zorgen voor de openbare veiligheid zowel bij dag als bij nacht.
- Het uitvoeren van patrouilles in gevaarlijke en onrustige tijden.
- Het opsporen van misdadigers en het weren van verdachte personen.
- Het bewaken van gevangenen en hun vervoer naar andere plaatsen.
- De beul behulpzaam zijn bij executie van ter dood veroordeelden.
- Het handhaven van de openbare orde bij feestelijke gelegenheden.
- Het begeleiden van de Sacramentsprocessie
- Het oefenen in de schiet- en krijgskunst.
- Het vogelschieten, het organiseren van schuttersfeesten etc.

“De beul behulpzaam zijn bij executie van ter dood veroordeelden”

Organisatie
In de ordonnantie van 1563 bestond de schutterij nog uit de koning, schuttemeesters en de schutten en had dus duidelijk nog een middeleeuwse gilde structuur. Die van 1669 is inhoudelijk niet zo ingrijpend veranderd maar toch zijn er wel degelijk ingrijpende vernieuwingen in aangebracht. Met name is het militaire element duidelijk versterkt. De schuttemeesters (die waarschijnlijk allemaal gelijk in rang waren) zijn in 1669 vervangen door o.a. Luitenant-Colonel, majoor, kapitein, luitenant, korporaal en vaandrig. Verder kende men schutten en tamboers. De officieren vormen de leiding van de schutterij en er staat een boete op ongehoorzaamheid. Ook was de schutterij zelf bevoegd om recht te spreken m.b.t. inbreuken op het reglement . Desnoods konden vonnissen met behulp van de officiële rechterlijke macht uitgevoerd worden. Voor waarborging van de discipline was dus goed gezorgd.

Uit 1651 kennen we een vermelding van het inzetten door de heer van zijn haakschutters. Deze vermelding geeft dus het type geweren aan waarover men beschikte, haakbussen, en van wie de schutterij was, van de heer van Elsloo dus.

Haakbusschutter. De haak dient ter ondersteuning van het geweer (buks).

De verandering van een middeleeuwse gilde in een militair korps paste in de ontwikkeling van de krijgskunst. De geweren werden steeds beter waardoor men sneller achter elkaar kon vuren, de piekeniers raakten op de achtergrond en de wijze van oorlogsvoering veranderde. Deze veranderingen hebben we overigens mede te danken aan de voorouders van onze koningin. Met name Prins Maurits heeft in de 80 jarige oorlog veel bijgedragen aan vernieuwingen in het krijgsbedrijf.

Militaire vernieuwer

Dit betekende ook dat de verdedigers (ook dus de schutterijen) zich anders diende te gaan verweren. De bouw van een aarden schans onder aan de Maasberg is hiervan een voorbeeld . Kostbare stenen vestingwerken te bouwen (zoals vroeger een burcht) had geen zin meer door de sterk verbeterde kanonnen. Geen zware kasteelmuren maar aarden wallen moesten nu de kanonskogels opvangen en mens en vee beschermen.

riginele kleding en uitrusting van een soldaat in de 30 jarige oorlog. Deze woedde gelijktijdig met de 80 jarige oorlog in Duitsland (de laatste 30 jaar). Uniformen bestonden toen nog niet.

Het leger van Prins Maurits op een tegeltableau.


De Schans
Omdat het oude kasteel in de Maas verloren was gegaan en het nieuwe kasteel geen verdedigbaar gebouw was, werd in 1647 door Graaf Nicolaas D’arberg een grote schans gebouwd aan de voet van de Maasberg . Onder in dit huis was de gevangenis van Elsloo. De Schans werd in 1718 afgebroken om te worden gebruikt voor de aanleg van de “krome diek” door de beemden. Desondanks bleef de naam voor het gebouw in gebruik. (zie tevens van “vreuger tot noe” afl 20). De onder-bouw van het nog bestaande rentmeestershuis bij het kasteel was waarschijnlijk de gevangenis In de Schans (ut pieterkeske).

Het doel van veel strooptochten door legerbendes was het stelen van vee. Dit trachtte men te verhinderen door het aanleggen van landweren en schanssen (aarden verdedigingswerken).
Laat reactieformulier zien