logo box 450x250 apple historie

Elsloo in WOII

Bijna bevrijd en dan...de nachtmerrie (deel 2)

Bevrijd maar nog ver van huis
Wij waren hier aan een Stausee "de Listertalsperre". Ook hier waren de mensen de witte vlaggen aan het klaarmaken, ze waren tegenover ons onderdanig en vriendelijk, we mochten zelfs in een bed slapen. 
‘s Morgens vertrokken we weer, want we wisten nu dat we misschien toch nog thuis zouden komen, iets waar we een paar weken geleden nog helemaal niet aan dachten. 

Overal staken nu de witte vlaggen uit, we kwamen dicht bij Munster en zochten onderdak in een boerenschuur waar stro en hooi lag en landbouwwerktuigen stonden. We waren moe en sliepen al gauw, aan het vele schieten waren we gewend, dat hield ons niet meer wakker. 
Vroeg in de morgen was er veel lawaai op straat, we keken door een spleet en zagen tanks en vele soldaten langs trekken en het waren ook nog anderen, dan die we gewend waren.

De witte vlaggen deden hun werk, er werd niet geschoten. De soldaten zochten in de huizen naar verstopte Duitse soldaten, maar die waren al lang met de staart tussen de benen vertrokken. We gingen naar buiten en waren "bevrijd". We kregen van de soldaten een paar sigaretten en droge koekjes en toen waren we niet meer te houden, we moesten richting Nederland (± 1e Paasdag 1945)

Door een stom voorval kwamen we nog eens in moeilijkheden in de buurt van Coesfeld. (Noot: ca 35 km oostelijk van Winterswijk) 
Wij hadden bij de militaire keuken van een kok een wit brood gekregen. We werden opgepakt door 2 soldaten en bij de commandant gebracht. Gelukkig kon Hans in het Engels uitleggen dat we het brood gekregen hadden en niet gestolen. We moesten mee terug naar de keuken en werden daarna vrijgelaten. De kok kreeg een flinke uitbrander. Daar waren ze blijkbaar heel streng op.

Langs de weg raapten we overal peukjes van sigaretten op, die zag je anders nergens liggen. Ik bewaarde die in een grote trommel, die ik in een soort rugzak meedroeg. We dachten ze er thuis een plezier mee te doen, want we wisten dat peukjes voorheen brood opleverden en we wisten ook niet welke armoede ze thuis zouden hebben.

In Coesfeld hebben we onze huisadressen uitgewisseld en hebben we afscheid van elkaar genomen. Hans richting Hengelo en ik richting Venlo. 

TheiHanssen Looproute 1945

 

We zijn er bijna...
De hele tocht die we gelopen hebben liep langs de plaatsen:  Keulen- Mulheim-Wipperfurth-Kierspe-Meinerzhagen-Halver-Ludenscheid-lettenberg-Mellen-Neheim-Hüsten-Werl-Unna-Liinen a/d Lippe-Herbern-Ludinghausen-Dülmen-Coesfeld-Borken-Wesel-Geldern-Arcen-Venlo.(Noot: we hebben die route als autoroute hierboven afgebeeld, de afstand bedraagt ca 400 km. Thei Hanssen spreekt van 4 tot 5 weken lopen, maar dat is een schatting, tijdsbesef hadden ze niet meer. Men ziet wel dat ze mooi om het Ruhrgebied heen zijn gelopen; weg van het front)

Ca. 5 weken lopen met veel hindernissen. In Wesel ben ik door de Amerikanen op een legertruck over de Rijn gezet. Hier weet ik nog van, dat ik flink pijn heb gehad in mijn lichaam, dat kwam door het rammelen over de pontonbrug en dat ik gewoon op de vloer van de wagen moest zitten. Voor mijn gestel was dat niet goed. 

Zo kwam ik in Geldern aan waar ik door een oudere man (Reutelingsperger) via een bos in Arcen terecht kwam, waar ik bij de familie Gommans nog een nacht heb doorgebracht. Daarna liep ik te voet richting Venlo waar ik een verhuiswagen zag staan van de firma Dickhaut uit Maastricht. Ik sprak met de chauffeur, die me graag liet meegaan, maar eerst moest de wagen nog worden geladen. Ik mocht achterop zitten op een sofa. De chauffeur wilde niets horen van afzetten op de Rijksweg in Beek. “Ik breng je thuis, zeg maar waar” zei hij. Aldus gebeurde.

Eindelijk thuis
In de buurt van de oude veiling zag ik opeens mijn oudste broer Sef lopen met de handen in zijn zakken. Ik riep uit alle macht Sef, hij draaide zich om en herkende mijn stem. Hij begon te rennen en was nog voor de auto thuis en had de hele familie al gewaarschuwd. Ik stapte met hulp van de chauffeur uit de wagen, maar niemand durfde naar me toe te komen. Ze dachten zeker dat ik een geest was; ik was alleen te herkennen aan mijn stem. Op de houten schoenen en met de lange jas van de pastoor aan en een pungel (rugzak) op de rug, ongeschoren sinds september leek ik meer op een landloper. 

In de pungel zaten voor mij belangrijke dingen o.a. een grote blikken doos met een groen kruis erop, in de doos zaten een paar noodrantsoenen van de Amerikanen, meegebracht voor thuis als ze soms honger hadden. Verder de sigarettenpeuken, die voor ons in het kamp zo kostbaar waren. Hier werd natuurlijk om gelachen, want thuis was alles in overvloed, wit brood enz. Ook had ik nog het keteltje en de lepel.

Mijn haren waren ook niet meer geknipt sinds september. Ze waren ook niet veel gegroeid door de slechte voeding. Ook mijn tanden was ik jong kwijt, op mijn 25had ik reeds een kunstgebit. 
Nu werd ik flink onder handen genomen, eerst eten, een flinke stapel witte boterhammen en de hele familie om me heen. Daarna werd ik naar boven gebracht, hier stond een grote “buut” (tobbe) klaar met warm water. 
Mijn zwager Jacques zou me helpen met wassen, maar toen ik mij uitkleedde schrok hij toch zo erg, dat hij niet goed werd en naar beneden ging. Ik heb me toen zelf gewassen en aangekleed.
De kleren die ik uitdeed lagen buiten al te branden, want die krioelden van het ongedierte.

De eerste paar weken heb ik met een kussen rondgelopen, want anders kon ik niet meer zitten, ik moest eerst wat vlees op de “batsen” krijgen. Er kwamen veel familieleden, vrienden en bekenden kijken en er werd me van alle kanten wat toegestopt; ik voelde me een bezienswaardigheid.

Op 19.4.1945 moest ik via de huisarts naar de repatriëring in Sittard, dat had ik eigenlijk bij het overschrijden van de grens moeten doen, maar omdat ik op eigen gelegenheid over de grens was gekomen was dat verplicht. 
Je werd dan ontluisd (gespoten) en onderzocht op ziekten. Mijn uitslag was: gewicht 38 kg en totaal ondervoed. Ik moest opgenomen worden in Sanatorium Hornerheide, wat echter pas na een paar maanden gebeurde wegens plaatsgebrek.
Ik moest wel al dadelijk in bed en kreeg ook speciaal voedsel, de voorkamer werd ingericht als ziekenzaal.

Sanatorium Hornerheide
In juli werd ik opgenomen in het sanatorium en kreeg gelijk een groot onderzoek. Het bleek dat ik een waas over beide longen had van ondervoeding.
In Horn ben ik 13 maanden geweest, hier heb ik een heerlijke tijd gehad. De andere patiënten konden zich dat niet voorstellen, ik viel toch van de hel in de hemel, was opgewekt en kreeg veel bezoek.
 ‘s Zondags en ‘s woensdags, er was ook nog bijna geen verbinding. Men ging met de trein tot Roermond en verder soms met de bus of vrachtwagen of zelfs te voet. Ook zijn er met de fiets geweest met banden van gummislangen. Slechts éénmaal heb ik op woensdag geen bezoek gehad omdat het verschrikkelijk weer was.

Er was nog een patiënt, die in een Duits kamp had gezeten; hij was van Poolse afkomst en heette Taraz Demianczuk. Hij heeft het niet gehaald en is in Horn overleden. Triest is dat zo ver van zijn familie, hij heeft ook veel gehuild.

Feest aan de Staasje
De tijd was aangebroken dat ik naar huis kon, er werd nogal geheimzinnig over gedaan. Er kwam een taxi en die bracht me tot Beek aan café Frans Pisters. Ik dacht er is hier iets gebeurd, er waren zoveel mensen. In werkelijkheid kwamen ze me afhalen. 
Ik moest op een plateauwagen plaatsnemen, die helemaal versierd was en met muziek ging het op huis aan. Dit alles was georganiseerd door de Jonkheid van de grote buurt Stationsstraat en Heide. Ik werd er later voorzitter van. Nu werd er natuurlijk een feest gevierd in ons café aan het station. (Noot: NS station Beek-Elsloo waar de familie een café had, plus groentezaak en fietsenstalling voor de treinreizigers).

Van de bevolking van Beek kreeg ik een reis aangeboden naar Lourdes, welke ik een jaar later heb gemaakt met de Limburgse bedevaart, als brancardier want dat was dus weer mogelijk.

Ca. 1,5 jaar heb ik nog niet kunnen werken en stond daarna nog jaren onder controle bij Dr. Baks in Maastricht.
Het oude vak werd weer opgenomen, want dat was voor mij ook het gezondste werk, venten met groenten en fruit. Dit ben ik ook blijven doen gedurende 45 jaar in onze zaak in Elsloo aan het Dorine Verschureplein. In 1986 zijn we met de zaak gestopt.

TheiHanssen venterskaart

 


Naschrift

Dit is alles wat ik opgetekend had in een oud schrift in 1945 in Sanatorium Hornerheide. Niemand heeft dit ooit gelezen, zelfs mijn ouders, vrouw en kinderen niet.
Op oudere leeftijd komt zoiets toch weer boven en voel je de behoefte weer eens alles op te schrijven. 
In het vergeelde schrift was het bijna niet meer te lezen, want het was geschreven met potlood.
(Noot: in 1995 heeft Thei dit schrift aan zijn schoonbroer Jo Voncken gegeven die het overtypte en onder de familie verspreidde, toen pas hoorden we wat hij had meegemaakt.)

De houding van de Duitse bevolking, bewakers en mijnwerkers in het begin in Siersdorf was streng. Wij waren immers voor hun misdadigers. Soms was men sadistisch, er werd geslagen en geschopt en dan dat kleineren en uitlachen als iemand van pijn en onmacht huilde. Ook in Keulen was het in het begin verschrikkelijk, maar toen de tijd verstreek en ze merkten dat er misschien een afrekening kwam, ging het geleidelijk beter.

De bevolking vond ons, in het begin toen we gevlucht waren, vies en wilde niets van ons weten. Dat werd later ook beter, want ze merkten toch dat de oorlog verloren was. Ze staken de witte vlag uit en wisten niet hoe ze ons toch maar duidelijk moesten maken, dat ze niet vóór Hitler waren. Dat ze ons gewoon opgepakt hadden en in Duitsland dwangarbeid hadden laten verrichten, konden ze niet geloven (of wel ?).
Wat een verschil met een paar weken geleden, nu werden ze zelfs kruiperig en angstig en we kregen eten en mochten soms binnen slapen.

Mensen die ons zoveel leed hebben aangedaan, zonder ooit met geld over de brug te zijn gekomen, kan ik niet meer vertrouwen. Vandaar nog altijd dat wantrouwen en ook niet de lust heb om in Duitsland op vakantie te gaan om daar geld te brengen, terwijl ik eigenlijk van hun geld tegoed heb.

Dat over de belevenissen in de kampen nooit is gesproken, kwam hoofdzakelijk omdat het zo ongeloofwaardig was. We waren bang dat niemand ons geloofde, maar in werkelijkheid is alles nog veel erger geweest dan in de films die over de kampen zijn uitgezonden. De acteurs in de films waren gezonde mensen; in werkelijkheid waren de gevangenen niet meer te herkennen, het waren levende lijken.

Als ik er aan denk, dat men van plan is om de Duitsers uit te nodigen bij de bevrijdingsfeesten in Nederland, dan krijg ik een misselijk gevoel. Weten ze niet, dat er nog zoveel mensen zijn, die de verschrikkingen in de kampen hebben meegemaakt en die nu moeten toezien, dat er misschien nog oude Duitse misdadigers bij zijn, die voor hun daden nooit zijn veroordeeld. 
Tegen mij hebben ze ook al gezegd, vergeet ‘t toch, het is al zo lang geleden, maar in werkelijkheid komt het op oudere leeftijd juist terug. Vooral als je ziet hoe mensen, die de oorlog niet hebben meegemaakt, nu beslissingen nemen die juist de oud-gevangenen heel veel pijn doen. Als ze het zelf hadden meegemaakt zouden ze er iets van begrijpen.

Van mijn vriend Hans de Hullu heb ik na zijn bezoek aan mij in Horn niets meer gehoord. De brieven die ik schreef kwamen terug en ik vermoedde dat hij dood of geëmigreerd was. Hij had mij hier overigens niets over verteld. Wel wist ik dat hij ook ziek was. Hij was ingenieur en had in het verzet gezeten, hij was hier in Limburg opgepakt. In het verzet had hij de schuilnaam ‘Peter Pech”. Ze deden in Limburg soms karweitjes voor het verzet. Hij was ook bij de mensen, die in Geleen een brandweerwagen uit de kazerne kaapten. Die hadden ze nodig om ergens in Holland een “brand” te blussen, die werd aangestoken in een gebouw waar paspoorten en bonkaarten werden bewaard. Ze gingen dus “blussen” om zoveel mogelijk bescheiden te kunnen meenemen.

Volgens de berichten die ik in Horn van het Rode Kruis en andere instellingen ontving, waren er van de 80 personen, die in Maastricht op transport werden gesteld, nog pas 16 overlevenden geregistreerd. Jan Hoeveler is ook thuis gekomen. 
Stannes, de knecht van mijn oom in Hoensbroek, is ook in het kamp in Keulen omgekomen. Dat bericht kreeg ik van mijn nicht uit Hoensbroek. Daar was een zuster van Stannes de kleren en andere bezittingen komen ophalen.

Vandaag, 26 januari 1995 heb ik een gesprek gehad met Jan Hoeveler, medegevangene uit de kampen in Duitsland. Hij heeft evenals ik nooit iets aan zijn vrouw en kinderen verteld van zijn belevenissen in gevangenschap.
Hij is er nog steeds niet overheen en heeft er heel veel moeite mee om er met mij over te spreken. ‘s Nachts heeft hij akelige dromen en soms schreeuwt hij zegt zijn vrouw. ‘s Morgens wordt hij dan nat van het zweet wakker. Ook heeft hij veel last van hoofdpijn, soms slikt hij 3 of 4 pillen per dag.
Evenals ik wilde hij nooit iets over zijn belevenissen vertellen, omdat hij van mening was dat het door niemand geloofd werd. Het is allemaal ook zo ongeloofwaardig. 

Op mijn vraag waarom hij op een gegeven ogenblik uit het kamp was verdwenen, vertelde hij dat, vermoedelijk reeds voor Kerstmis, een selectie was geweest van de gevangenen die nog lopen konden. 
Toen zijn ze in colonne met ca. 2000-3000 gevangenen vertrokken, verder weg van het front. Het was een verschrikkelijke lijdensweg, waarbij ze meermalen vanuit de lucht werden beschoten. Uiteindelijk kwamen ze in een groot kamp aan, ook een “durchgangslager” van Buchenwald. Het was daar verschrikkelijk vuil en heel koud, zonder kachels midden in de winter. Dat kamp is pas in mei 1945 bevrijd en hij kwam dus ook 1,5 maand na mij thuis.

Toen hij uit Keulen vertrok had hij mij nog gezien. Ik schuifelde wat rond en had een grijze deken met een rode band erover over mijn hoofd. Iedereen die achterbleef was volgens hem ten dode opgeschreven. Toch hebben we het nog ca. 2 maanden uitgehouden. Het waren alleen de zieken en degenen die slecht lopen konden, die achterbleven, daar was ik dus ook bij. 

Ook vertelde Jan dat hij ook in de typhusbarak was, waarin zovelen de dood vonden, maar hij was een van de weinigen, die er wel uitkwamen. Hij was buiten in een rioolbuis gekropen, welke uitkwam aan de Rijn. Hier hebben ze hem gevonden en op een deur vervoerd naar de ziekenbarak.

Thei Hanssen overlijden 2012

 

Laat reactieformulier zien