logo box 450x250 historie dba67b

Deel 6: de kampen en weidegronden in de middeleeuwen

De kampen.
Op de akkers werd overwegend graan geteeld. Aparte gewassen voor eigen gebruik maar ook voor de handel zoals, peulvruchten, kool en andere groenten, kon men niet telen zonder bescherming tegen de vraatzucht van het wild (men had toen nog te maken met everzwijnen en herten). Maar ook tegen het vee dat na de oogst op de akkers geweid werd dienden de gewassen beschermd te worden. Daarom werden in de velden en op gemeenschappelijke gronden aparte stukken land door een beschermingshaag omgeven. Een dergelijk omheind gebied noemde men een kamp. Zo’n kamp kon uit kleinere percelen voor tuinen (koolhoven) of uit enkele grote percelen voor de teelt van producten op grotere schaal t.b.v. de handel.

De middeleeuwse dorpseconomie rustte op twee pijlers: de landbouw en de veeteelt. (Voor Elsloo kwam hier nog een derde bij de scheepvaart, handel en visvangst op de Maas). I.v.m. de mestproductie waren de landbouw en veeteelt onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het vee stond in dienst van de landbouw als mestleverancier. Dit gold zowel voor schapen als voor koeien. Koeien waren belangrijke vlees en melkleveranciers. Dit legde ook beperkingen op aan de ontginningen. De opbrengst van de gronden bleef gebonden aan de grenzen die gesteld waren door de beschikbare hoeveelheid mest. Er diende een evenwicht te bestaan tussen de oppervlaktes aan cultuurgrond en woeste grond. Men kon niet ontginnen zonder een evenredige verhoging van de mestproductie. Grote natuurlijke weiden bleven nodig voor het weiden van vee.

Door de matige grasopbrengst had men per stuks vee een groot weidegebied nodig. Aan de rand van een natuurlijk weidegebied, binnen loopafstand, legde men soms extra bemeste weiden aan. Hier graasden de melkkoeien en kalveren. (Volgens ons komt hier het veel in veldnamen voorkomende “ groen(en)” vandaan. Dit zien we als een synoniem voor vetweiden). De runderen en schapen werden in kuddes door een herder (scheper) naar de natuurlijke weidegebieden gedreven. S’avonds gingen deze, i.v.m. de mestverzameling, ofwel op stal of gezamenlijk in een omheining aan de rand van het dorp (of in het dorp zelf). Hier kon men het vee ook bewaken.


De beste weidegronden lagen in het Maasdal, de beemden, deze werden bij overstromingen door een vruchtbare kleilaag bemest. De beemden dienden ook als hooilanden voor de wintervoorraad maar ook voor de verkoop.

Inkomsten van de heer 1514: Een gedeelte van “de Cynckt” (beemden aan de grens met Geulle werd “dat beste grass” genoemd.

Pas als men beschikte over voldoende vervangend weidegebied (door ontbossing) kon men evenredig overgaan tot uitbreiding van het akkerland door het omzetten in akkers van oudere weidegebieden.

Laat reactieformulier zien