logo box 450x250 historie dba67b

Deel 9: Gemeenschappelijk bezit en belang.

De bewoners van een dorp in de middeleeuwen vormden met elkaar en met het landschap één functioneel geheel. Middels de schepenbank en beambten beheerden ze samen het dorp en het gebruik van de gemeenschappelijke gronden. Hoe ze dit moesten doen lag vast in de “costuymen” (lokale wetten) en in het gewoonterecht. Tegen deze regels zondigen was zondigen tegen de gemeenschap. Dit werd absoluut niet getolereerd. Daarom stonden op, in onze ogen kleine, vergrijpen zware straffen.

Men moet dit echter zien in het licht van de toenmalige maatschappij. Men was om te overleven in hoge mate van elkaar afhankelijk. Een gemeenschap kon alleen functioneren indien ieder zijn plicht deed en zich aan de regels hield. Dit gold echter niet alleen voor de dorpsbewoners maar ook voor de kasteelheer. Zijn macht was niet onbeperkt. Zijn plichten t.o.v. het dorp en omgekeerd waren eveneens strikt vastgelegd. Ook hier was de een afhankelijk van de ander.

De inrichting van het dorp en de gehuchten.
De huizen lagen, op ruime percelen, op rij aan enkele straten. De omheiningen van de achter gelegen tuinen en huisweiden vormden een aaneengesloten geheel. Zo vormen ze een (grillige) dichte omheining rond het dorp of gehucht. Alleen daar waar wegen de omheining doorsneden waren hekken (valderen) aangebracht, die na het passeren gesloten dienden te worden. De functie van de omheining, was het binnenhouden van het loslopende vee, zoals varkens en kippen, en het buiten houden van wild en loslopend vee en het weren van ongewenste bezoekers.

Buiten de omheining begonnen de velden. Waar de velden grensden aan de woeste gronden, zoals de Graetheide, was er een tweede zwaardere beschermingsgordel. In Elsloo werd deze de “landgrayff”, “Heydengrave” of “Lantweer” genoemd. Deze diende eveneens om het buiten de landweer lopend vee en wild van de akkers te weren. Vanuit de nederzettingen liepen door de velden de (holle) veewegen naar de weidegronden.

Het verschil tussen het dorp en de gehuchten.
De term dorp slaat nu op de hele aaneengesloten bebouwing en straten. In de middeleeuwen sloeg dat slechts op een deel ervan. Men moet de term uitleggen als het huidige woord centrum. Zo was Terhagen een gehucht of buurtschap maar had ook een dorpsstraat. De oude kern Elsloo zelf bestond ook uit enkele gehuchten of buurtschappen en alleen het gebied rond de Maasberg noemde men “in het dorp”. In het centrum lagen de kerk, het kasteel en woonden de notabelen. Het dorp was eigenlijk het centrum voor een reeks gehuchten binnen de heerlijkheid.

De huizen lagen op ruime percelen met ertussen de nog onbebouwde “huysplaetsen” (bouwplaatsen). Later zullen we zien dat de oorspronkelijke structuur sterk zal veranderen. Gehuchten verdwenen en de dorpskern groeide verder uit langs de wegen naar de velden en veedriften. Verder verdichtte de kern door bebouwing en opsplitsing van percelen en huizen zich tot een compact geheel. Hierdoor ontstond, vanaf ca. 1600, een geheel nieuwe situatie, die wij nog kunnen herkennen in de huidige oude dorpskern (met het deel dat door het graven van het kanaal verloren is gegaan).

Het ontstaan van de lokale benamingen
Als op het einde van de middeleeuwen (rond 1400) het in cultuur brengen van het landschap grotendeels heeft afgerond, is er in hoofdlijnen een landschap gevormd welk zich tot in de 70-er jaren van de vorige eeuw heeft gehandhaafd en waarvan elementen nu nog bestaan. Parallel aan de ontwikkeling van het landschap ontstonden ook de plaatselijke benamingen (toponiemen). De veldnamen werden afgeleid van de ligging of vorm van het veld, een markant gegeven in het terrein of naar de voorafgaande functie (bos, weidegebied), de eigenaar of gebruiker etc. De namen van de wegen werden vaak genoemd naar de velden die ze doorkruisten of bij eindigden, de naam van een dorp of stad waar ze naar toe gingen of naar een functie zoals bij veewegen.

Laat reactieformulier zien