logo box 450x250 historie dba67b

Deel 1: Van Oude Weg naar A2

Tussen Maas en Graetheide

Er  zijn niet veel streken in Nederland die zo’n oude en rijke maar ook gecompliceerde geschiedenis kent als het huidige Zuid Limburg. Niet alleen is dit te danken aan de vruchtbaarheid van de gronden, de strategische positie tussen de Rijn en Vlaanderen en door de Maas als verbinding tussen Frankrijk en Holland. Dit alles maakt ook dat  Limburg een heel oud en uitgebreid wegenstelsel kent. Een wegenstelsel dat  fragmentarisch tot op de dag van vandaag nog steeds bestaat. In het navolgende zullen we de fragmenten van de belangrijkste wegen langs en over de Maas, in de streek tussen Geulle en Grevenbicht aan elkaar proberen te passen en het vroegere belang weergeven.

De grote handelswegen
Willen we  het ontstaan en verloop van de oude hoofdwegen in onze streken  begrijpen, dan dienen we  de eerste plaats meer te weten over de handel en de wijze van vervoer in vroeger eeuwen en ook over de routes van de grote handelsstromen. Hiervoor dienen we ook over de huidige staatsgrenzen heen te kijken en weet te hebben van het oost-west verlopend stelsel van handelswegen tussen de Rijn en Vlaanderen, die hun weg zochten door het gebied tussen de Peel en de Ardennen, Limburg dus.

Al vanaf voor Romeinse tijd en gedurende de Middeleeuwen was Limburg verbonden met de belangrijke handelscentra van Europa. Via het Maasdal met het noorden van Frankrijk en Holland en via de grote handelswegen met het Duitse Rijk (waar Limburg feitelijk toen deel van uitmaakte) en Vlaanderen.

De volgende tekst beschrijft  het vroege belang van onze streken in het handelsverkeer over de lange afstand:

………Op het einde van de zesde eeuw bezong de dichter Venantius Fortunatus (c. 535-na 600) de rivieren Moezel, Aisne en Maas. Van de Maas zei hij: Aut Mosa dulce sonans, quo BTUS, Banta, anser, oIorque est, Triplice merceferax (alite, pisce, rate). (De zacht ruisende Maas, waar kraanvogel, gans, eend en zwaan leven, Draagt drie koopwaren: vogel, vis en vlot).

Uit deze regels heeft men wel willen afleiden, dat de Maas met haar vlotten een van de grote scheepvaartroutes van het Merovingische Gallië was. Het rate (vlot) betekent hier echter veeleer gebundeld hout, een houtvlot, wat ook beter past bij vogel en vis, en niet een vervoermiddel, een 'vlot' als drager van hypothetische koopwaren.

In Venantius' tijd vond er een verschuiving van de handelsroutes plaats. Waar eerst de weg via Rhône en Rijn de hoofd verkeersas was tussen de Middellandse Zee en het Noorden, begon de handel zich nu via de Maas te verplaatsen. Toen en later zullen over de Maas producten vervoerd zijn van landbouw en veeteelt en van de messingindustrie in de plaatsen ten zuiden van Luik; bovendien in de zevende eeuw slaven uit Engeland, die naar de slavenmarkt in Verdun gingen. Rond 1000 richtte de Maashandel zich op steden als Keulen, Londen en Goslar. De Maassteden vormden een eigen economisch gebied, geheel los van de Nederlanden. http://www.loegiesen.nl/1200-1299%20Loe%20Giesen.htm

Bedenk hierbij dat Reims (Noord-Frankrijk)  het centrum was van de Franken in de Frankisch-Merovingische tijd (400-700) en dat de Maas en de oude (Romeinse) wegen een belangrijke verbinding met dit centrum waren. De gehele  5e en 6e eeuw heeft Limburg  binnen de invloedsfeer van de Franken gelegen. In Elsloo, Stein, Urmond en Obbicht zijn uit deze periode vondsten bekend.

Onder de Karolingers (8e tot 10e eeuw) was de driehoek Aken, Luik , Maastricht het centrum van het Frankische rijk.

In die tijd is het Maasdal een belangrijke route naar Utrecht, het Frankische steunpunt in de veroveringsoorlogen tegen de Friezen en Saksen en naar Dorestad de Friese handelsmetropool aan de Rijn.

Voordat  we overgaan tot het beschrijven van de oudste wegen in ons gebied zullen we, om ons een voorstelling te kunnen maken van het toenmalige wegverkeer, eerst de middeleeuwse wijze van reizen, de handel en transport en de handelswegen tussen Keulen en Vlaanderen beschrijven. Veel hierover kunnen we leren uit Duitse beschrijvingen van de handel en wegen in de middeleeuwen. Vandaar dat ook diverse aanhalingen in het Duits zijn weergegeven.

Het middeleeuwse vervoer over water
Flüße und Wasserstraßen Bequemer und oft schneller als der Landweg sind häufig die Wasserwege. Zwar flossen die Flüsse normalerweise langsamer als heute, doch konnten tagsüber große Entfernungen zurückgelegt werden. Flußreisen waren auch verhältnismäßig ungefährlich, auch wenn es gefährliche Strudel, Brückenpfeiler, Felsen und Stromschnellen gab. Übernachtet wurde an Land (in vielen Fällen befinden sich dann auch Gasthäuser am Flußufer). Flußreisen wurden vor allem dort wahrgenommen, wo der Landweg besonders beschwerlich erschien. Flußaufwärts zu reisen war eher beschwerlich, obwohl es an manchen größeren Strömen Treidelwege am Ufer gab, um Boote wieder flußaufwärts zu ziehen.

De Maas was al in de Romeinse tijd een belangrijke verbinding tussen Overland (de naam voor het stroomgebied van de Maas ten zuiden van Venlo tot Frankrijk toe) en Nederland (de benaming voor de laag gelegen kustgebieden).

Belangrijke handelsproducten over de Maas waren vanuit het noorden naar het zuiden boter, kaas, huiden, haring, kabeljauw, stokvis, bokking. Van zuid-noord ging Naamse steen, steenkool, mergel, hout, ijzererts, graan, kalk, leien, koperproducten, laken.

De grote verzamelcentra van de bulkgoederen waren Luik en Dordrecht. Niet alleen de Limburgse steden Maastricht, Maaseik, Roemond en Venlo waren zeer actief in de Maashandel, maar ook schippers uit dorpen als Eisden, Elsloo, Kotem, Urmond, Stokkem, Wessem en andere plaatsen aan de Maas. Deze plaatsen langs de rivier stonden niet alleen over water met elkaar in verbinding maar ook over land. Op beide oevers liepen wegen die de stroom volgden. Het zijn deze oeroude wegen die de basis vormen van het wegenstelsel van de nederzettingen langs de Maas tussen Maastricht en Roermond.

Schepen op de Maas in Maastricht. De St Servaasbrug is vanaf de Romeinse tijd tot in de 19e eeuw de noordelijkste brug over de Maas geweest. Hierover liep de weg van Keulen naar Vlaanderen.

 

Veel gebruikt Maasschip, de Herna ofwel Walenmaljol (mignole)

Het middeleeuwse vervoer over de weg
In de middeleeuwen was reizen over lange afstanden moeilijk en duur. Daarom werden alleen maar kostbare, zeer gewilde goederen zoals zilver, het onmisbare zout, barnsteen, zijde en kruiden over grote afstanden vervoerd. Maar dat niet alleen, ook slaven waren in de 9e en 10e eeuw handelswaar. Joden waren belangrijke handelaren in Europa. De Joden beschikten over een eigen uitgebreid netwerk dat reikte tot zelfs buiten Europa. Door het Hebreeuws konden ze zich in hun kringen overal verstaanbaar maken, tot in Noord Afrika toe. Ze mochten geen ambacht uitoefenen en waren de enigen die van de kerk geld mocht uitlenen.

Reizen in de middeleeuwen was ook gevaarlijk. Men reist te voet, te paard, ezel of muildier. Karren zijn er ook, maar zijn zeer oncomfortabel om mee te reizen. Een voetganger legde per uur 5 a 6 kilometer af (dat was een uur gaans). Hij kon als het een beetje meezat in een dag dus ca 30 kilometer afleggen. Een paard in draf haalt 6 km per uur, een paard in galop ca 18 km per uur. Een ijlbode te paard kan in de zomer maximaal zo’n 60 kilometer per dag afleggen. Meer kon niet want een paard heeft ook rust en verzorging nodig. Wisselde men van paard, dan kon men de helft meer afleggen. Een wagen met vracht komt in de zomer hoogstens 30 km ver.

Massagoed wordt in deze tijd nauwelijks met paard en kar over grote afstanden vervoerd, het gaat meestal over water. In de winter en ‘s nachts reist men alleen als het nodig is, in de zomer kunnen de dieren langs de weg eten en zijn de dagen langer en warmer.

reizigers onderweg

Op de wegen kon men van alles tegenkomen. Er waren steeds mensen onderweg. Marskramers, pelgrims, troubadours, kunstenaars, kermisartiesten, zigeuners, mensen op weg naar grote vergaderingen, kooplieden, boden, boeren, landverhuizers, vluchtelingen, zwervers, kwakzalvers, muzikanten, bedelaars, krijgslieden etc. etc.  Langs de routes vind men om de 10-12 kilometer wel een herberg of klooster. Herbergen zijn er ook bij oversteekplaatsen van rivieren. Hier vind ook de nieuwsuitwisseling plaats tussen verder gelegen plaatsen en streken. Kloosters zijn geliefde stopplaatsen. De monniken dienen in iedere gast Christus te herkennen, die ook geen plaats in de herberg had en daarom is gastvrijheid voor hun een heilige plicht.


Straßen und Wege
Das 12. Jahrhundert musste die Straße gerade zu neu entdecken, war das Wegenetz im frühen Mittelalter doch relativ stark verfallen. Seit dem 13. Jahrhundert wird das Straßennetz wieder ausgebaut, Brücken gebaut und Wege ausgebessert. Dennoch sind die Straßenverhältnisse eher schlecht, es müssen Umwege oder Wartezeiten in Kauf genommen werden, je nach Wetter oder politischer Lage. Wege folgen zumeist dem topographischen Gegebenheiten, wo dies nicht möglich ist, werden die Straßen zumeist als "böse" empfunden. Dies ist bei zahlreichen Anstiegen oder vielen Gewässern der Fall.

Durch das Gebirge führen Saumwege - Pässe sind relativ zahlreich, die meisten sind jedoch sehr anstrengend und im Winter praktisch unpassierbar. In vielen Fällen ist die Reise dort (wie auch anderenorts) nur mit Hilfe gemieteter Führer möglich (in den Alpen werden diese Maronen genannt). Bei guten Straßenverhältnissen kann man an einem Tag theoretisch bis zu 60 Kilometer zurücklegen, durchschnittlich sind es jedoch 20-40. In der Stunde schafft ein Fußgänger bei gutem Tempo 6 Kilometer, 4 bei gemächlichem Gang. Mehr als 40 Kilometer sind für den ungeübten eine sehr große Anstrengung (in der Regel wird man beim Reisen eher mit kurzen Etappen beginnen und diese dann steigern). Gasthäuser befinden sich entlang von Reiserouten ungefähr im Tagesabstand von drei bis fünf Meilen (1 Meile = ca. 7,5km, die Etappen sind also ca. 20-40 km lang).


 

Laat reactieformulier zien