logo box 450x250 historie dba67b

Deel 2: Van Oude Weg naar A2 -vervolg-

Tussen Maas en Graetheide

Reizen in de Middeleeuwen


Wer reist im 13. Jahrhundert? Dazu sagt Peyer: "sehr viele [reisen] relativ wenig". Reisende sind: Herrscher, Adelige, Bischöfe, Fernkaufleute, Ordensritter, Söldner, Studenten, Gelehrte, Gesellen, Pilger, Kleriker, Kuriere (Läuferboten), Fuhrleute, Viehtreiber, Handwerker (v.a. Spezialisten wie Bergleute oder Baumeister, aber auch Metzger, die zum Viehkauf unterwegs waren) Spielleute, fahrendes Volk
Inwieweit Bauern reisten, ist eine offene Frage. Generell gilt im 13. Jh. im Gegensatz zu früheren Zeiten: Man reist nicht mehr das ganze Leben, Reisen ist ein seltenes Ereignis, das in bestimmten Lebensphasen eintreten kann. Somit werden die Charaktere vielen Leuten begegnen, die "früher einmal gereist sind".

Motivation zu reisen
Neben den klassischen höfischen Reisen und militärischen Unternehmen, gab es vor allem Pilger, die in der Zahl eine nicht unbedeutende Gruppe waren. Aber auch wirtschaftliche Gründe spornten Leute zum Reisen an - Fernkaufleute trieben Handel in fremden Städten, Handwerksgesellen waren auf Wanderschaft. Hochbezahlte Spezialberufe, wie Bergarbeiter oder Baumeister, waren auch dazu prädestiniert, auf Wanderschaft zu gehen - diese beiden Berufsgruppen bildeten deshalb schon schnell eruopaweite Gruppierungen mit einigermaßen einheitlichen Aufnahme-, Ausbildungs und Arbeitsregelungen. Ähnliches galt jedoch auch bei Geistliche und gebildeten Leuten (z.B. in Universitäten - wobei diese ja auch im geistlichen Stande waren). Diese waren häufiger angehalten, ihren Lebensmittelpunkt zu verlagern, um Forschungen voranzutreiben, zu predigen, zu arbeiten, usw.


Niet alleen het verkeer maar ook de middeleeuwse wegen zelf zijn niet te vergelijken met onze wegen. Verharde, aangelegde wegen zijn alleen rond de belangrijke steden, maar dat zijn uitzonderingen. Een weg is meestal  geen grote weg, maar een stelsel van een aantal evenwijdig lopende wegen en paden, waarvan een deel door karren en wagens wordt gebruikt en een ander deel door ruiters en door voetgangers. Waar mogelijk proberen deze drie groepen zich te ontwijken.

In de loop der tijd ontstaan zo talrijke paden voor de voetgangers en ruiters, en andere wegen die voor de karren worden gebruikt. Doorgaans lopen de wegen en paden niet door of langs de rivier- en beekdalen maar juist boven de overstromingsgrens in de hellingen van het dal of over de hogere oeverwallen in het dal. Dit om geen last van drassige bodems en overstromingen te hebben.


Gefahren
Wie gefährlich das Reisen definitiv war, ist deshalb nicht bekannt, weil die Meinungen darüber stark auseinander gehen. Aber die Fälle sind durchaus zahlreich, in denen von Überfällen und anderen Unbillen die Rede ist. Manche Gegenden sind deshalb nicht sicher, weil beispielsweise mächtige Familien dort Fehden austragen, so dass nicht einmal bewaffnete Reisende besonders sicher sind.
Möglichkeiten, das Risiko zu reduzieren, gab es einige: Man konnte ohne Waren oder Wertgegenstände reisen (zumindest ohne augenfällige). Einfache Kleidung verringerte das Risiko, überfallen zu werden. Umwege konnten in Kauf genommen, Gruppen mehrerer Reisenden gebildet werden. Manche Reisende nahmen auf dem Hinweg Kredite auf, die sie auf dem Rückweg zurückzahlten. In vielen Gegenden gab es das "Geleit", welches von Geleitsherren ausgeübt wurden (Inhaber des Geleitrechts, einem zumeist königlichen Privileg). Im Idealfall stellte dieser bewaffnete Begleiter, die die Reisenden beschützten, auch wenn dies in vielen Fällen dem reisenden erhebliche Kosten verursachte - es gibt aber auch Fälle von "Taschengeleit", in denen nur das Geld ohne Gegenleistung eingestrichen wurde...


Overval te Elsloo
Dat reizen gevaarlijk was, bewijst een overgeleverd voorval dat op 7 september 1622 in Elsloo plaatsvond.

"In september 1622 werden de burgemeesters Hendrick van Darth van Venlo en Creijart van Roermond naar Brussel afgevaardigd, om over de licenten te onderhandelen. Zij vertrokken naar voorvaderlijk gebruik op karren en namen met zich mede een aantal koffers met kleederen, linnen, wollen en dergelijken, alsook eene menigte papieren en eene beduidende som gelds. Den 7 september kwamen zij te Maastricht aan en troffen daar den commies van Financiën Kesseler, men wien zij hunne zaak afdeden, en zij met hetzelfde convoy, dat hen had gebraht, de terugreis aanvaardden.

Op de hoogte van Elsloo in eene straat boven dit dorp gekomen, werden de karren eensklaps van achter 'onversienlick' door vijandelijke ruiters, die zich daar ten getale van 31 in hinderlaag bevonden, overvallen, waarop de beide burgemeesters van hunne kar sprongen. Terwijl van Darth zich zocht te verweren, beklom Creijart de kar, waarop zich het bagaadje en de papieren bevonden, en joeg daarmede, gevolgd door nog eenige andere karren, de heide op.

De vijand zette de vluchtenden achterna en haalde de karren in, toen burgemeester Creijart nog juist den tijd had om zich in daar staande kreupelhout te 'salveeren'. De vijand plunderde vervolgens al de karren, nam de koffers met al de zich daarin bevindende 'kleijderen en meubelen so wullen als lijnen so die tot sulcke reijse, so scheen langhwijligh uijtblijven te vereisschen', benevens de papieren en 460 gulden Brabantsch in geld mede.

De reizigers kwamen er heelhuids af, doordien zij in tijds een goed heenkomen zochten. Later werden de opgelichte goederen merendeels te Nijmegen, waarheen zij waren vervoerd, verkocht en door de stad Venlo voor terugkoop van die van Van Darth hem 'inloessing' der schrifturen betaalt eene somme van 708 gulden 2 stuiver 2 heller. <Maasgouw 1880, blz. 242.>

Over de uitgestrekte heidevelden van de Kempen door de akkers en heiden van de Gelderse gebieden, door de modderige Haspengouw, door de Gulikse heuvels, door de beboste dalen van het Luikse liepen vele wegen waarlangs de koopman zijn waren per as (per wagen /red) naar Antwerpen kon vervoeren. De meest belangrijke van deze wegen was de weg over de brug in Maastricht. Hier kwam de handel  uit het Rijn- en Maasgebied bij elkaar. Een andere weg liep van Keulen over Roermond, Weert naar Antwerpen. Tussen deze twee wegen bestond nog een verbinding in de vorm van een weg die zich in Aldenhoven (Gulik) afsplitste van de weg naar Maastricht en die via Sittard, Stokkem, Opoeteren, Bree aansloot op de weg Roermond / Antwerpen.
<Uit: Duizend jaar wind en water in de lage landen deel 3 pag 359>

Albrecht Dürer op reis in de lage landen
In 1520 maakt de beroemde Duitse schilder en graveur Albert Durer (1471-1528) een reis van Neurnberg “in das Niederland”. Hiervan maakt hij een dagboek. Allereerst reist hij naar Frankfurt en vervolgens per schip naar Keulen, waarna de tocht over land via Sittard ( “Zitta, ein feins Stadtlein”) en het Luikse Stokkem aan de Maas en door de Kempen naar Antwerpen.
Een duidelijke aanwijzing van het belang van de weg over Sittard als route vanuit Keulen naar Antwerpen. Hij doet over die reis 20 dagen. Nu is dat vanuit Elsloo per auto een reis van ca. 5-6 uur (531 km) naar Neurenberg.

Albert Dürer

 

Via Belgica
Al in de Romeinse tijd liep er een belangrijke verbinding tussen Keulen via Boulogne sur Mer (in het Vlaams, Bonen) naar Engeland, de Via Belgica. Dit is in de Romeinse tijd veruit de belangrijkste weg in onze streken. Maar ook in de middeleeuwen zal het gedeelte tot aan Tongeren een belangrijke weg blijven. Vanaf Tongeren gaat het dan wel niet meer naar de Franse kust maar over Leuven, Brussel, Gent naar Brugge en later over Bilzen, Hasselt, Diest, Lier, naar Antwerpen. Lees hier alles over de Via Belgica >
De routes van het Rijnland naar Vlaanderen behoren tot op de dag van vandaag  (in de vorm van de E39) tot de belangrijkste handelswegen in Europa

Verloop middeleeuwse oost-west hoofdroutes vanuit Keulen naar Vlaanderen, door onze streken. Niet alleen Keulen maar ook Neuss en Dusseldorf waren belangrijke handelssteden die van deze wegen gebruik maakten.

 

De routes in detail

De wegen die door ons gebied liepen beperken zich natuurlijk niet tot Keulen en Maastricht. Ze waren onderdeel van handelswegen over zeer lange afstanden. Zo was de weg Keulen-Gulick-Kerkrade-Valkenburg-Maastricht  c.q. Keulen-Gulpen-Aken-Maastricht eigenlijk een onderdeel van een route die 3000 km lang was.

In Duitsland was de Hellweg een belangrijk onderdeel van deze route die als eindpunt Novogrod (Rusland) had. Overigens waren er meerdere routes vanuit Keulen die evenwijdig naar de Noordzeehavens (met hun verbindingen met Engeland en de Europese kuststeden) liepen.
Deze oost-west lopende wegen kruisten de Rijn en de Maas maar ook de zuid-noord lopende wegen (niet op kaart weergegeven), zoals de weg Maastricht, Sittard, Roermond.  De hoofdwegen waren weer onderling door kris-kras verlopende wegen verbonden. Zo ontstond een fijnmazig netwerk van wegen in Limburg waarlangs in de loop van de tijd de Limburgse dorpen zijn ontstaan. Restanten van dit netwerk bestaan nog steeds. Maar nu als lokale veldwegen, waarin het vroeger belang en samenhang met het groter geheel niet meer te herkennen is.

 


De Hellweg
Der Hellweg ist eine uralte Handelsroute. Schon in der jüngeren Steinzeit fand über ihn, wie die Vorgeschichtsschreibung nachgewiesen hat, ein Güteraustausch statt, der z.B. die Verbreitung eines in Flandern geförderten Feuersteins nachhaltig unterstützt. Dabei war die "Urstraße" keineswegs planmäßig angelegt, sondern folgte lediglich den Kraftlinien des Verkehrs.
Die Straße von Brügge nach Novgorod ist die längste und älteste West-Ost-Verbindung in Europa. In römischer Zeit begonnen, hat sich um 1400 vom Atlantik bis ins russische Festland ausgedehnt”. http://www.fahrradroute-hellweg.de/index.php?page=geschichte

Die Köln-Leipziger Strasse
Die Köln-Leipziger oder Brabanter Straße verband als eine der wichtigsten West-Ost-Verbindungen seit dem Spätmittelalter Brabant im heutigen Belgien und Niederlande mit Hessen-Thüringen. Der Warenverkehr aus dem rheinischen Gebiet für die Messen in Leipzig wurde über diesen Handelsweg geleitet.

Handelsstraße
In der Regel waren Handelsstraßen unbefestigte Fahrwege, nur im Römischen Reich baute man die Handelsstraßen mit Pflaster teilweise zu Verkehrswegen (Via strata) aus, die mit heutigen Straßen vergleichbar sind. Die Strassen folgten meist den Wasserscheiden, entweder auf dem Kamm oder hangparallel. War eine Spur ausgefahren, fuhr man daneben oder verlegte die Spur um wenige bis hunderte Meter seitwärts, so dass alte Straßen von oben betrachtet, oft wie mäandernde Flüsse aussehen. Der Verkehr erfolgte meist mit Lasttieren oder mit hölzernen Wagen, die mit Zugtieren (meist Ochsen bespannt waren, Pferde waren zu kostbar).
Info Duitse handelswegen: http://www.altstrassen-in-hessen.de en http://de.wikipedia.org/wiki/Handelsstra%C3%9Fe


Kinken (handelaren) vervoerden in de middeleeuwen vrachten op de ruggen van kleine paarden (pony’s)  die in een lange rij achter elkaar liepen. Nog in de 18e eeuw kende men in Limburg de kolenkinken en graankinken. De graankinken kochten rond Sittard en Maaeik het koren op en vervoerden het op hun paardjes naar Luik en omgeving. De kolenkinken vervoerden op dezelfde wijze kolen uit Kerkrade naar de Maas.

Kolenvervoer
Het volgende geeft een goed beeld wat vervoer van vrachten in Limburg betekende, voordat het tijdperk van auto en trein aanbrak.

Uit: Mens en Mijn, Drs Remigius Dieteren O.F.M 1953

Uit de Onderbanken, 28 december.
We naderen langzaam het hartje van de winter en wanneer het buiten vriest, dat het kraakt, leeren wij, gezeten bij de warme kachel, de nuttige steenkool naar waarde schatten. Met weinig moeite en voor weinig geld zijn ze te bekomen; in elke gemeente is minstens een “lager” , een magazijn. De concurrentie is groot; voor een paar centen per ½ H.L. krijgt men ze franco thuis. Wat een verschil met vroeger !

Wie zich vijftig, zestig jaar kan terugdenken (dus rond 1900), herinnert zich, dat de vrouwen uit Kerkrade de kolen tot hier brachten in zakken op haar hoofd en ze venten door de dorpen langs de deuren. Ze vonden gewoonlijk den kost bij de medelijdende boeren en namen op de terugreis wit schuur – en strooizand mee van Palemig. Een harden strijd om het bestaan hadden ze te voeren !

Wie een paar flinke paarden ter zijner beschikking had, reed zelf naar de kolenmijn. Doch zo’n tocht vorderde een omslag als een Roomsche reis. Dagen van te voren werd alles in gereedheid gebracht. En als dan de haverzak en ‘t “kolenbujelke” (geldzakje) goed gevuld waren, toog men op weg. Leeg kon men ’t ineens brengen tot de kolenmijn. Daar behooren er eenige bekendheid en een fooi toe om niet soms dagen te moeten wachten op een vracht.

Op de terugreis, langs den gevaarlijken Kerkraderberg, bracht men het zelden verder dan tot Valkenhuizen (tussen Kerkrade en Heerlen). Daar werd gerust, dikwijls de nacht doorgebracht: daar kwam van huis uit vaak voorspan om door diepsporige wegen over heuvelen en dalen vooruit te komen. Dan deed het aan elk voertuig in dien tijd onmisbare houweel vaak dienst, als de kar, niettegenstaande het versche voorspan, bleef vastzitten. De voerman poosde in de vele herbergen langs den weg en teerde uit het “kolenbujelke”, gedachtig aan het voermansspreekwoord: “dae good smeert, dae good veert” Maar de paarden hadden het hard te verantwoorden. "Hij laat het hoofd hangen, als een paard wat van de koel komt" is zelfs spreekwoordelijk gebleven uit dien tijd.

 


Zölle und Unkosten
Neben dem gerade angesprochenen Geleitkosten gab es noch weitere Unkosten, die dem Reisenden oft Probleme bereiteten: der Zoll. Theoretisch war die Sicherheit des Weges mit der Erhebung von Zöllen verbunden, wobei dieser Zusammenhang sich im Laufe des Spätmittelalters so weit verflüchtigte, dass der Zoll Reisenden eher als Wegelagerei erscheinen musste.

Zollstellen waren relativ häufig. Reisenden konnten sich jedoch auch von Zöllen befreien lassen (oder die Gebühren gegen Vorlage bestimmter Briefe zurückfordern). Pilger waren generell von Zöllen befreit, bei Händlern kam es stark auf die Zugehörigkeit zu einer bestimmten Stadt oder einem Land an (gegenseitige Befreiung von Zöllen war häufig, Könige konnten für ausländische Händler ihre Märkte dadurch leichter öffnen).Der Straßenzwang sorgte dafür, dass man sich an den Wegverlauf hielt (rechtliche Grundlagen sind z.B. im Sachsenspiegel verzeichnet).

Pilger konnten in der Regel fast mittellos reisen. Andere mussten neben Zöllen, Geleitabgaben und Übernachtungsgebühren noch mit weiteren Kosten rechnen: Essen, Heuer für Fuhrleute oder Bootsführer, Entgelte für Ortskundige und Lotsen. Wer Pferde mit sich führte, musste mit hohen Kosten rechnen, da Nahrung, Stallmiete, Transport (z.B. über Flüsse) und Pflege erstaunlich hohe Summen verschlangen.

Literatur: Ohler, Norbert: Reisen im Mittelalter, München 1991. Reichert, Folker: Erfahrung der Welt. Reisen und Kulturbegegnung im späten Mittelalter, Stuttgart 2001.



Tot zover de beschrijving van de grote middeleeuwse oost-west handelswegen door het huidige Zuid Limburg. Voor de historie van onze dorpen langs de Maas is echter een andere oeroude weg van veel groter belang, de weg die wij hier “Oude weg” noemen. Een weg die de Maas volgde en waarlangs onze dorpen zijn gesticht.

Laat reactieformulier zien