logo box 450x250 historie dba67b

Deel 14: De inrichting van de Maasdorpen in de middeleeuwen

Tussen Maas en Graetheide

De oudste begrenzing van de heide stond in verhouding met de omvang van de vrij kleine dorpjes en omsloot een beperkt landbouwgebied dat diende voor de teelt van gewassen voor eigen gebruik. Later zullen deze dorpen zich langs de veedriften en de wegen naar de akkers verder ontwikkelen. Ze liggen allemaal in de helling van het Graetheide-plateau naar het Maasdal, net boven de overstromingsgrens. Een ideale ligging voor de toenmalige akkerbouw en veeteelt.

Bewerken van landerijen gebeurde gemeenschappelijk. Binnen de dorpen had iedereen zijn taken en plichten en alles was volgens strikte regels geregeld.

De boerderijen lagen op ruime percelen in een lange rij langs de oudste weg, die op de rechteroever van de Maas liep. De boerderijen lagen ook maar aan één kant van de weg. Dit was de ideale ligging voor het boerenbedrijf. Voor de boerderijen lag het Maasdal met bronnen in de hellingen, hooilanden en vruchtbare weidegebieden. Achter de boerderijen lag het bouwland. De reistijd voor mens en vee werd daardoor zo kort mogelijk gehouden.

De oude weg was geen kaarsrechte weg maar kronkelde door het landschap, rekening houdend met de oneffenheden van het landschap. De dorpen waren zelfvoorzienend en het verkeer was zeer beperkt.
Steden bestonden toen nog niet of waren zelf nog dorps. Centraal in het dorp lag -op een uitstulping aan de kant van het Maasdal- de kerk. De kerk lag zodoende op een verdedigbaar punt, omgeven door veelal drassige gronden aan de voet van de hellingen langs het Maasdal. Aan de ligging van de kerken van Berg, Urmond en Stein is dat goed te zien. De oudste kerk van Elsloo aan de Maas is afgespoeld, maar kende waarschijnlijk eenzelfde ligging.

De akkers grensden aan de bossen die in de toenmalige economie een grote rol speelden. De bossen werden gebruikt voor het weiden van kudden varkens en rundvee, jacht, het verzamelen van bosvruchten, het verzamelen voor brandhout en als leverancier voor constructiehout. De eik was bijzonder belangrijk als voedselbron voor de varkens, leverancier van looistof en voor duurzaam constructiehout. De beuk en linde werden gekapt als leverancier voor brandhout.

Door overbeweiding en kap van bomen gaat uiteindelijk het bos ten onder en verandert het stilaan in heide. Slechts op enkele plaatsen blijft het bos gespaard en bewaakt ten behoeve voor de noodzakelijke houtbehoefte en soms als jachtgebied voor de kasteelheren (zoals het Steinderbos).

Uitbreiding van de akkers, betekende ook uitbreiding van de veestapel in verband met de benodigde mest. Dat betekende weer uitbreiding van de weidegebieden en dit noodzaakte weer tot verdere ontbossing. Het hout wordt in enorme hoeveelheden gebruikt voor het bouwen van huizen, schepen, brandhout, het smelten van ertsen etc. In enkele eeuwen tijd is in Europa het grootste oerwoud ter wereld, tussen de Noordzee en de Oeral gekapt.

Opbouw dorpen
Een Maasdorp op de dalrand was opgebouwd uit elementen die nodig waren om als één groot geheel te kunnen functioneren. Deze elementen zijn nog terug te vinden in de straat en veldnamen.

Elementen: Kasteel, kerk, pastorie, tiendschuur, water / windmolen, brouwerij (panhuis), boerderij van vrije mannen, huisjes van keuters (kleine boeren met nauwelijks bezittingen), grote (kasteel)boerderij, smederij, timmerwerkplaats (veelal onderdeel van kasteel). tuin, wijngaard, boomgaard, dorpslinde (vergaderplaats) etc.

Wegen: Wegen naar de velden, de bossen, de weidegebieden (veedriften), het rivierdal en een doorgaande verbindingsweg. Vanuit de wegen vertrokken diverse stegen (“gatsen”).

Landschap: velden, bossen van de kasteelheer (voor de jacht), bos voor gebruikshout en hoeden varkens en vee, kampen (omsloten velden), weidegronden voor schapen, koeien, runderen en ganzen, hooilanden, kiezelgroeve. Afscheidingen tussen de verschillende functionele terreinen, rond nederzetting en langs veedriften.

Overige: aan rivier een steiger voor vissersboten of veerpont, bronnen voor water en wasplaats.

Indien men kaarten en archieven bestudeert, kan men zelfs in de hedendaagse nederzettingen nog veel van de vroegste en latere landschapselementen herkennen. Men kan dan ook de structuur van de oudste nederzetting als kern ontdekken en de latere uitbreidingsfases. Vaak kregen oude elementen die hun functie verloren bij uitbreidingen een nieuwe bestemming. Oude verzamelplaatsen voor vee werden de dorpspleinen, veedriften werden veldwegen naar de nieuwe velden op de plaats van de ontgonnen weidegebieden.

Waar de wegen vanuit het dorp naar de velden de doorgaande wegen kruisten lag meestal ook de oudste toegang naar de velden (een toegang werd een “gaet” genoemd). Het zijn juist deze kruispunten waar we in de Maaskant de oude Mariakapellen aantreffen. Het waren rust-altaren voor de processies, waarbij bij de kapellen Maria om vruchtbaarheid van de velden en goede oogst werd gevraagd. Ongetwijfeld gaan deze rites terug tot voor christelijke tijden waarbij de vruchtbaarheidsgodin Freya later werd vervangen door de heilige Maria.

Hierboven:
De Mariakapel op de hoek Hoekstraat en Krikelsveldweg en de afgebroken kapel aan het Heilig Hart in Elsloo staan allebei aan de gemeyn Heerstraat op het punt waar deze door een vanuit de nederzetting naar de velden werd gekruist.

(De bekende Mariakapel c.q. Bokkerijderskapel) in Urmond, en de Mariakapel van Catsop (aan het Catsopper Veltgaet) hebben overigens dezelfde achtergrond). In Elsloo stond bij deze kapel ook de dorpslinde waaronder men samen vergaderde. 
Zie http://www.elsloo.info/landschap-en-maas/287-deel-22-aan-het-heilig-hart

Aan de ruïne van de zware 13e eeuwse toren van de oude kerk in Dilsen kan men nog goed de verdedigingsfunctie van de kerktorens zien.

De oorspronkelijke ingang van deze toren was niet op de begane grond. In het onderste gedeelte van de toren werden de kostbaarheden en akten van het dorp opgeborgen.

Bij gevaar stalde men het vee (vaak het doel van de aanvallers) op het kerkhof en trok de bevolking zich terug in de toren van de kerk. De kerktoren kende geen ingang op de grond. In de onderste verdieping werden dan de kostbaarheden opgeborgen. In aanvang werd de verdediging rond de kerk gevoerd, uiteindelijk trok men zich als allerlaatste terug in de toren. De trap of ladder naar de toegang werd verbrand of verwijderd en door de schietsleuven werd de toren verdedigd.

Een dergelijk toren was natuurlijk door zijn ligging een uitstekende uitkijktoren om naderend gevaar te onderkennen. Dit hoefden niet alleen vijanden te zijn maar ook de nukken van de Maas werden zo tijdig gezien, want die overstroomde geregeld. De toren van de kerk had dus een belangrijke functie in het dorp. Daardoor is het verklaarbaar dat het onderhoud van de toren voor rekening van het dorp kwam, terwijl het kerkschip voor door de parochie onderhouden werd.

Ondanks dat er een burcht aanwezig was, was het vaak toch noodzakelijk om de kerktoren voor de verdediging te gebruiken. In Elsloo lag de burcht (de restanten zijn nu bij lage waterstand in de Maas zichtbaar) in de nabijheid van de kerk. In Stein lag deze weer verder weg van de kern en in Urmond en Berg ontbrak deze geheel. Daarbij had de kasteelheer natuurlijk ook de sleutel van de kasteelpoort in handen.

Laat reactieformulier zien